Feeds:
Berichten
Reacties

Herkauwer kreeg onder ogen een facsimile-editie van de Kaapsche Stads Courant, en Afrikaansche berigter, die in 1800-1801 bestond. Het is de eerste ‘Kaapse’ krant, meldt de editeur van de editie-1982.

De krant kwam blijkbaar één keer per week uit, in tegelijk een Engelstalige en Nederlandstalige versie. Bij die laatste versie hebben ze het niet over bijvoorbeeld ‘nummer 42’, maar over ‘Getal 42’. Eigenaardig. Maar voor de rest lijkt het precies op een ‘Hollandse’ krant. Ook het soort advertenties lijken van dezelfde aard te zijn.

 

Hier vind u een verkapte huwelijksadvertentie (16 augustus 1800):

‘HUISHOUDING Een Ongehuuwd bedaard Man circa een half uur van de Caab woonende, wenscht op deszelfs Plaats eene Person te engageeren, mits Hollands spreekende, en een wynig Engelsch verstaande, om aldaar de Huyshouding Waarteneemen.

Nadere Informatie te bekoomen, No. 75, Lange Straat.’

Hondjes vindt men in alle kranten van alle landen. Zo ook hier (21 maart 1801):

‘VERLOOREN Een bruin Hondje, van het Deensche Ras, zynde een Reutje; diet hetzelve gevonden heeft en te regt brengt, op de Heere Gragt, in No. 7, zal een goede belooning genieten.’

Tenslotte een bewijs dat geleerdigheid niet alleen in Europa te vinden is, en dat tijdens de Verlichting zelfs apothekers intellectuelen waren. Op 30 mei 1801:

‘Verlooren in de Voorleden Week, Tusschen de Kaap Stad en Ronde Boschje, Eenige Papieren, zynde de vertaaling van Silius Italicus, over de Tweede Punischen Oorlog, in een Manuscript 800 Bladzyden, in Engelsche Vaerzen; wyders veele andere Gedigten in geschrift, en twee Stukjes in de Fransche Taal, alles te zaam in een bondel opgebonden.

De gene, die de zelve gevonden heeft, en te recht brengd by Dr. Tytler, Apotheeker in het Hospitaal, zal Vyf en Twintig Ryksdaalders tot eene beloning genieten, zonder verder ondersoek.’

Klein-Jan (ca 1720)

Voorgelezen zender AmsterdamFM 4 november 2009

 

Op, en vlak bij het Spui, zitten veel belangrijke boekhandels. Je hebt het Athenaeum, American Bookstore, Scheltema, Waterstone’s. U komt daar vast wel eens. Bijvoorbeeld om uw buitenlandse literatuur te kopen. Of om uw nieuwe Herman Koch te halen; uw Robert Vuijsje; zodat u weer weet hoe dat werkt, met de liefde, in Oud-Zuid en de Bijlmer. Of u zoekt naar  Tina Weemoed, omdat u zelf ook zelf wel eens wil raden naar de identiteit van die schrijfster.

 

Die boekhandel-functie heeft het Spui niet altijd gehad. In de zeventiende en achttiende eeuw zaten de belangrijkste Amsterdamse boekhandels meestal op de Dam en rondom de beurs. Vanuit die boekhandels, tegelijk vaak uitgeverijen, werd half Europa bevoorraad met de belangrijkste boeken uit die tijd.

 

Maar vandaag niks geleerds over die Amsterdamse Cultuur met een grote C. Integendeel. Wel iets over een ander soort teksten die massaal in Amsterdam gekocht werden, in het verleden. Een soort teksten waarvan André Hazes misschien genoten zou hebben; waarvan ook Koos Alberts, Pieter Beense en zoveel anderen, bij het lezen misschien wel rozig zouden worden.

 

Daarom even terug naar het Spui. Daar kunt u, rond 1720, op de Osjessluis – dat is de brug die in die tijd nog, over het water van het Spui heen, de twee stukken Kalverstraat verbindt – op bepaalde dagen een wat raar mannetje zien. Hij staat achter een enorme hondenkar. Het mannetje is een soort lilliputter. Hij heeft een hond naast zich. Die hond draagt een mars, waarin boekjes. Op de wagen of kar (soms is het een kruiwagen) van deze lilliputter vindt u pakken met teksten van populaire liedjes. Op losse bladen. Hij heeft er tweedduizend, zegt hij zelf. Op de kar ook: complete liedboeken. Die staan vol met smartlappen over liefde en leed, moorden, schipbreuken, wufte meisjes, en gestorven poesjes; met liedjes over stukadoors die iets komen plamuren bij eerbare huisvrouwen, en metselaars die een bijzonder soort schoorstenen komen inspecteren. Er zijn liedjes voor bij het uitgaan, in de Plantage en aan de Volewijk in Noord. Er zijn teksten over opgehangen misdadigers; en over meisjes met expres niet helemaal vastgespelde neusdoeken – anders gezegd: meisjes met opvallende décolletés.

 

Die lilliputter met zijn liedboekjes heeft  een nette naam in de Amsterdamse archieven. Die is: Pieter de Vos. Maar heel Amsterdam kent hem als: ‘Klein-Jan’.*

 

In deze tijd zingt heel Amsterdam zich nog te pletter; thuis, op straat, op feestjes. Ze zitten allesbehalve eindeloos in Cats of in de Hollandsche Spectator te lezen. Die gedachte moet u maar overlaten aan de gemankeerde onderwijzers die de Nederlandse Wikipedia samenstellen, of aan die kenners van de Nederlandse geschiedenis die eindeloos en incestueus ruziën over de betekenis van abstracte Historische Theorema’s.

 

De burger-Amsterdammer las zeker wel es Cats, Van Effen. Maar hij wist ook heel goed, wie Klein-Jan was. De gewóón-gewone Amsterdammer, daarnaast, kwam weinig in de boekhandel. Maar hij wist precies waar hij zijn toenmalige cd’tjes met songs moest kopen, wanneer hij ergens aangrijpend had horen zingen over een verscheurd portret op de schoorsteenmantel; of over de gruwelijke daden van de Hannibal Lecter van toen. Wilde hij zelf wat zingen of horen over zielige Duitse dienstmeisjes die in de prostitutie belanden; over netjes-aangeklede jodenmensen die op sjabbes een bepaalde route lopen door de stad; over idiote nieuwe mode en rare kapsels; over een dagje naar Zandvoort; over een beroemde inbreker; over een brand in de schouwburg; dan is het: naar Klein-Jan! Die is – wat is het vandaag? – op het Spui te vinden, met zijn kar; maar, als het maandag is, staat hij op de Botermarkt (het Rembrandtplein dus), op zaterdag op de Dam, enzovoorts. Het traject van Klein-Jan is zo voorspelbaar als de route van de orgeldraaier.

Daar, op het Spui, verkoopt Klein-Jan Thirsis minnewit (1654), tientallen keren herdrukt. Daar verkoopt hij boekjes met titels die klinken als ‘De Overtoomsche markt-schipper’, of ‘De Durgerdammer visser’.

 

De teksten in die boekjes zijn nu soms niet meer helemaal te begrijpen. Luister eens naar het vermoedelijk sexy bedoeld begin van ‘Een Meisje in ’t Groen. Voys: Van Kaatjes Coole.’*

 

Ik ging lest wandelen langs de Boomen,

Om my wat te verlusten.

Daer zag ik een mooi meisje koomen,

Ik sey wellekom Susje.

Hoog is de solder, laeg is de vloer,

Schoon is de Dogter, Leelyk is Moer,

’t Zyn van Kaatjes Koole Cammeraatje,

’t Zyn van Kaatjes Koole.

 

Mooi hè, dat volmaakt zinloze ‘Hoog is de solder, laeg is de vloer’. Of is dat juist zinvol vanuit een bepaald erotisch uitzicht? Je treft váák totaal-zinloze regels bij dit soort liedjes. Misschien heeft het een soort mesmeriserend doel, brengt het iets magisch aan. Mensen lijken dat juist leuk te vinden. In mijn jeugd zong het Amsterdamse bioscooppubliek juist luidkeels mee in Tuschinski, wanneer daar in de pauze Pier Palla op een orgel volkswijsjes begon te spelen, met regels die klonken als ‘Hee-sapperdemosia!’ en ‘Hupsanseedeplatteboender / hupsanseedelabadoer!’.

 

In een van Klein-Jans andere liedjes komt een telkens terugkerende gekke regel voor, waarop uw spreker zeer verliefd raakte. Dat lied begint zo:

 

1. Sa vrinden ik heb ’er weer een nieuw Liet /

Al wat ’er in ’t kort weer is geschied /

Louwrensje / Cardoessie

Al van een Meysje die Lisabet hiet.

2. Dat Meysje ging ’s avonds veel op avontuur.

Al op de Kruysbaan / hoort wat ’er gebeurt /

Louwrensje / Cardoessie

Daer ontmoet haer een Zinjeur.***

 

Geen idee wat het betekent, dat ‘Louwrensje / Cardoessie’. Maar mooi is het. Toch?

Aan de historici onder de luisteraars. Een ideetje. Zou het niet leuk zijn om eens een boek te maken, over Klein Jan, over diens tientallen collega’s, en over de liedjes die Amsterdammers zongen in de afgelopen eeuwen? Het materiaal is er. In overvloed.

 

Stel dus maar eens uit: dat boekje over de VOC en Amsterdam; dat zoveelste artikel over de plafondschildering van Herengracht 302; dat hoofdstuk over de eerste opvoering van de Gijsbreght. Dát weten we allemaal wel.

 

* Meer over deze liedjesverkoper bij: Rietje van Vliet, ‘Klein Jan: de bard van de Botermarkt’. In: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 30 (juli 2007), p. 26-35.

** Te vinden in: Thirsis Minnewit.

*** Uit: De boere-dans; of ’t gezelschap na de mode (1789), p. 56-57.

 

Tegengekomen: een zeldzaam boekje van rond 1775 over wat men toen noemde ‘geriefelijke juffers’.

 

De titel: Wonderlyke levensbeschryvingen, van elf extra schoone juffers na de mode, geboortig van Amsterdam, s’Hage, Rotterdam en elders. Doormengd met zeer raare en wonderlyke Kluchten welke zy hier en elders bedreeven hebben met verscheide heertjes na de mode: Als meede Haar Listig Gedrag omtrent dezelve. Alles door een Satarique [sic] Pen Naauwkeurig afgeschetst. Willige verkooping gehouden door De afslaager van Eykenduinen, op een onbewoond yland: in de Noordzee.

 

Hier veilt een afslager respectievelijk zes en vijf ‘Tuin Beelden’. Hij begint steeds met een lied, bedoeld om stilte krijgen. Vervolgens schetst hij de biografie van de vrouw naar wie het beeld in kwestie gemaakt is. Daarbij worden duidelijke gegevens verstrekt over naam, herkomst, woonplaatsen, minnaars. Het betreft steeds notoire maintenées en vermaarde prostituees, uit diverse Hollandse steden.

 

Af en toe is het flink nadenken over de erotische betekenis van sommige uitdrukkingen. Wat stelt u zich bijvoorbeeld voor bij ‘vuisteloze vingers’, in de volgende passage?

 

‘Na de dood van Papa en Mama, wierd zy aan haar zelven overgelaaten, en schoon zy Handen had om te werken, verkoos zy veel liever om met Vuystelooze vingers de Kost te verdienen, ten anderen stond haar de Jordaansche Capsels daar de Freulens A La Wortelen en Reepen mee gaane ysselyk teegens de borst’ (I, p. 5).

 

De beschrijvingen hebben vaak een vulgaire inslag. Zo heet het van een kleinere juffer, dat die is ‘drie Turven met een twee roestige Knikkertjes op een Beezem-stuivertje hoog’ (II, p. 17).

 

Na ampele overweging besloot Herkauwer dat deze omschrijving nogal leek op iets wat hij wel eens gelezen had in een moderne tekst: dat namelijk een of ander minder door de natuur bedeeld meisje iets had als ‘twee knikkers op een strijkplank’.

 

Is de anonieme auteur misschien Klaas Hoefnagel (1735-1784)? Deze is in de jaren ’70 en ’80 in Amsterdam woonachtig. Hij is een kenner van de zelfkant van het leven, waarover hij vaak bericht, in een soort vulgair-Amsterdams. Volgens zijn vijanden is hij zelf ‘hoerewaard’ geweest.

 

Herkauwer kon deze tekst niet eens vinden in het rijke Het Amsterdams hoerdom. Prostitutie in de zeventiende en achttiende eeuw, door Lotte van de Pol. Hij had wel eens willen weten waarom in dit verband voor die locatie, Eik en Duinen, gekozen is.

Monitor (1780) 2

Nog een paar uitspraken uit de Monitor van 1780:

‘Het verstand der Hollanders heeft zo zeer niet nodig opgeklaard, als hun hart nodig heeft verwarmt te worden’ (p. 155).

‘Het gros der Nederlanders heeft, in hun karakter, ene zekere stroefheid, stugheid, norsheid en kwastigheid die gevoegd by hunne maar al te gewone lompheid, hen beroven van ’t grootste deel der genoegens, ’t geen gezellige [= sociale] wezens, in een wederzydschen ommegang en ene uitwisselinge van kleine maar menigvuldige diensten smaken. Ik heb verscheiden landen doorreist, meer dan één volk gezien, doch geene in Europa gevonden, ’t geen hen evenaart’ (p. 33).

Het volgende is heden nog steeds van belang voor curatoren van ziekenhuizen, leden van de Medische Tuchtraad, en vergelijkbare toezichthouders:

‘Alle kwakzalvers, van den hooggeleerdsten Apotheker af tot den morsigsten tandentrekker toe, zyn niet anders dan even zo vele moordenaars, zodra zy zich bemoeijen de geneeskunde, die zy niet verstaan, te praktizeeren. En wat zyn zy, aan welke de Overheid wel expresselyk bevolen hadt hier voor te waken? Als ’t dievery aangaat, is de heler zo erg als de steler; wat is ’t in ’t moorden?’ (p. 71-72)

Monitor (1780) 1

Herkauwer zag: de Monitor, een echt modern blad uit 1780. De hoofdauteur is zonder twijfel Pieter van Woensel (1747-1808), marine-arts, reiziger, commentator van vooral de Nederlandse samenleving. Van Woensel was een zeer vrijzinnig en begaafd persoon, niet gebonden aan partij of religie. Hij had een heldere, vaak ironische manier van schrijven.

Die Monitor gaat over van alles en nog wat; over de stand der wetenschappen in ons vaderland, over boeken, over het buitenland; en, natuurlijk, over ‘het Menschelyk Hart, altoos nieuw mengelmoes van licht en schaduw, van deugden en gebreken, van grilligheid en heilzame zwakheid!’

U vindt vertogen, observaties, anecdotes, medische adviezen, adagia. Dat rapsodie-karakter heeft veel weg van de vormgeving van het vermakelijke jaarboekje door Van Woensel, de Lantaarn (verschijnend vanaf 1792).

Een paar losse uitspraken, hier gevonden. Morgen nog een stuk of drie.

‘De menschen zyn niet zo zeer goed, of kwaad door voorbeelden of voorschriften, dan door de omstandigheden: en een zeer wel opgevoed man, maar gedrukt door tegenspoed, loopt even zo veel gevaar een schelm te worden, als een krankzinnige loopt, zich uit het vengster te werpen’ (p. 155).

‘Die Godsdienst, welke den mensch los maakt van de deugd, door hem een verschiet van gelukzaligheid te doen zien, buiten dezelve, is een zeer onstaatkundige godsdienst. Hy mag goed zyn voor ’t toekomend leven; maar hy is ’t niet voor ’t tegenwoordige’ (p. 156).

Utrechtse dwaasheid (1720)

Een heel raar uithangbord, in Utrecht, 1720.

Dit schrijft de auteur van de curieuze periodiek, de Secrete Correspondentie, in dat jaar:

Ten minsten heb ik nu d’Utrechtsche Vaart buyten de Waard-Poort by het swarte Waater een Uythang-Bord geschildert gesien met Haavens en Scheepen, en daar onder geschreeven DE NIEUWE ZEE HAVEN [...]. (p. 143)

Zeehaven? In, bij, Utrecht?

Wie de moeite neemt uit te zoeken waarom de schrijver hier verbaasd over doet, merkt dat dit uithangbord wel degelijk verwijst naar iets concreets.

Wat blijkt namelijk?

In Utrecht werd in 1720, het jaar van de windhandel, een compagnie opgericht met het doel een dik kanaal te graven, van de stad Utrecht naar de Zuiderzee. Het zou uitkomen bij Spakenburg. Het uit het kanaal vloeiende water zou de daar liggnde zandbanken wegspoelen. Daarna zou Utrecht rechtstreeks verbinding hebben met de wereldzeeën. Amsterdam werd op die manier de wind uit de zeilen genomen. Kassa.

De Utrechters konden aandelen (‘acties’) kopen in deze firma. Dat deden ze inderdaad; met groot enthousiasme.

U begrijpt: die aandelen waren binnen een paar maanden niets meer waard. Er zijn, begrijpt Herkauwer, nog wat stukken sloot bij Maartensdijk (of daaromtrent) over, die het begin van het kanaal geweest zijn.

Een beetje dom dus, zou Maxima zeggen. Anderzijds, aangezien er uit de Dom-stad de laatste eeuwen niets nieuws gekomen is, moeten we misschien waardering hebben voor deze Utrechtse oprisping om Grote Daden te verrichten.

De auteur van de Secrete Correspondentie aarzelt niet het complete idee met de grond gelijk te maken. Hij doet dat onder meer door nog andere zogenaamde plannen uit het Utrechtse te beschrijven: een firma met het doel de verloren tien stammen Israëls te zoeken en te vinden (het financiële nut van die zoektocht ontgaat Herkauwer); een plan op basis van een teruggevonden manuscript van Archimedes schepen met vleugels uit te rusten, en aldus binnen zes weken van Utrecht naar Batavia te ‘varen’.

Bonusouders (ca 1780)

Die-of-die is ‘in bonus’, leest Herkauwer tegenwoordig nogal eens, in kranten.

Dat moet natuurlijk zijn: ‘in bonis’. Die fout ontstaat misschien omdat het begrip ‘bonus’ zo vreselijk bekend geworden is. Het doet, terecht, vaak de wenkbrauwen fronsen.

Herkauwer is niet zo Catsiaans en moralistisch ingesteld. Maar gezien het gedrag van onze tegenwoordige bonusjagers las hij, zijns ondanks, gisteren met instemming de waarschuwende regels van een hem onbekende dichter, voorkomende aan het einde van Gedagten over de hedendaagsche kapzels en tooizels van veele hovaardy-minnende dames, een boekje waarvan nog maar één exemplaar bekend is, en dat rond 1780 te Middelburg werd uitgegeven:

Indien de Vader leeft by ’t klappen van de Schyven [ = geldstukken],

’t Is ’t middel om het ook zyn Kind’ren aan te wryven;

De kleene Knaap zal zulks ook in ’t kort bestaan,

Hy groeit in ’t Spel, en vat met vreugd die wapens aan.

Een Dochter zal gewis geheele schatten hangen

Aan haaren hals, en meê blanketten haare wangen,

Indien de Moeder zelf haar voorgaat op dien voet,

En tot haar Lyfs-sieraad zoo grooten kosten doet.

Olipodrigo (30)

‘De zieken loten om hun leven, gelijk de Hernhutters om hunne vrouwen’. Aldus de Leerzame en boertige opmerker van 1809, p. 133.

Dat loten om vrouwen was Herkauwer geheel onbekend. Als het al waar is.

*

Verschijnend:

Schiller, Friedrich, Brieven over de esthetische opvoeding van de mens. Vertaald door Aart Leemhuis. Herziene uitgave. Octavo, Amsterdam [november] 2009. ISBN 978.94.90334.02.4.

*

‘Bemin u zelven, maar in alle eer en deugd, even als een eerlijk meisje, het geen gij trouwen wilt, en niet, als een elendig schepsel, dat men zoekt te verleiden.’

In: [J.P. Kleyn], Eenige bijdragen voor genie en menschen-gevoel, nr. 2 (1789), p. 146.

Uit het blad Tiresias (een heel curieus blad), 16 oktober 1743, p. 52:

‘In ’t uitzeilen van zeekre Itaaljaanse Haaven, is een Schip, geladen met Schilders, gebleeven: hoe, vraagt imant, een Laading Schilders? Antwoort jaa; zy hadden op Sant Lukas nagt, te Romen in hun bent, dit Schip afgehuurt, en des anderendaags, ’s morgens, hebben zy ’t, zonder behulp van eenig Cargadoor, bevragt op Amsterdam, op de verzeekering dat men daar, driemaal des weeks de schoonste vrouwelyke Modellen kan huuren die in de waereldt te bekoomen zyn; want de Itaaljaansche Koppen zyn te zwart om ’er Engelen naar te schilderen; en hier vindt men blonde Koppen zoo overheerlyk schoon, dat het jammer is, dat ze op zulke leelyke Leeden staan; maar dat kan een Schilder niet differeren; want hy moet toch ’t geheele Lyf huuren, en dan heeft hy keur om zulk een gedeelte te gebruiken als het hem best convenieert; men zegt dat zy zig wilde doen verzekeren, maar dat niemant de rechte waardy kon calculeren.’

Wie is H.G.? (1753)

Misschien kan één van de lezers Herkauwer een beetje helpen.

Het zit zo. Herkauwer is voor de ENT bezig met een paar lemmata voor die Encyclopedie. (Encyclopedie van Nederlandse tijdschriften t/m 1814, die in de toekomst zal verschijnen; kijkt u maar eens op de site van de ENT wat er allemaal in moet komen, en wat er al in zit.)

Hij had onderhanden: het lemma Twee-en-vyftig samenspraken, gehouden tusschen ’t Hollandse neefje, en het Zeelandse nigje.

Dit is een niet onaardig orangistisch blad, voor het volk, uit 1753. Het is gedrukt in de Amsterdamse Jordaan. Er bestaan trouwens erg veel van dit soort bladen, meer dan u denkt. Doorgaans nogal talentloos.

De schrijver van dit blad tekent als ‘H.G.’

Wie is dat?

‘H.G.’ geeft verder nog wat andere gegevens prijs. Hij zegt een bewonderaar te zijn van Jan van Gijzen en diens mercuren uit het begin van de eeuw. Daar hebben we niet zoveel aan. Verder zegt hij óók de schrijver te zijn van respectievelijk de ‘Mercuur’, ‘’t ‘Verwarde Kluwetje’ (dit is de subtitel van het blad bekend als Arlequin Alchimist, uit 1742) de ‘Ledigganger’ (een blad uit 1748) en de ‘Patriot’. Hij zegt ook bezig te zijn met zijn ‘Historische Verhandelingen’, waarvan hij de titel nog geheim wil houden maar dat nog deze week en daarna op elke vrijdag zal gaan verschijnen.

Op p. 405 voegt hij daaraan toe dat hij ‘in de Babbelaar Franze stof gezongen [heeft] om de Fransgezinden zagter te maken’; en dat hij de ten onder gebrachte Brilleman heeft geprobeerd op te beuren; tevens had hij ‘de Orangie-Patriot of Vry gebooren Hollander’ aan de gang gebracht. Van dat laatste blad zijn nog een paar afleveringen over, die Herkauwer nog moet gaan bekijken, elders.

H.G. is dus min of meer een beroepsschrijver. En behoorlijk hard bezig.

Maar – wie is hij?

De NCC schrijft het blad toe aan ene ‘H. Grettinga’. Van deze is echter slechts een enkele tekst rond 1698 bekend. Dus die toeschrijving vertrouwt Herkauwer niet zo.

Is H.G. misschien dezelfde als de orangist Henry Grantham van wie in 1750 een geschrift werd verboden (zie Ton Jongenelen, Van smaad tot erger, 1998, nr. 23)?

Help!

Oudere Berichten »