Feeds:
Berichten
Reacties

Naar Uithoorn ter Zee! (1809)

Voordracht zender AmsterdamFM 25 november 2009

 

Dezer dagen drong zich een herinnering op. Een herinnering aan een gewestvergadering van de PvdA, zo rond 1972. Dat kwam: ik las een wat vreemd boekje, met de titel Reis van Amsterdam naar den Uithoorn ter Zee, uit 1809*.

 

Het verband tussen die herinnering en het lezen van dat boekje was voor mij eerst niet logisch. Maar ja, opkomende herinneringen werken vaak niet zo ‘logisch’.

 

Eerst dat boekje, die Reis uit 1809. Het is een Nederlands verhaal, maar geschreven op de manier van Sterne, een beetje tongue-in-cheek dus. Het begint zo:

 

‘Niets is zotter dan een Amsterdammer, die nimmer buiten de poort is geweest; die, wanneer hij velden, bosschen en wegen ziet, zich verbeeldt, dat dit alles onbewoonbaar is. Hij eet zijn brood, zijn kaas en hij drinkt zijn bier of wijn, zonder te weten hoe dat alles groeit. Vóór mijne reis, was ik in dit geval’.

 

Die ‘ik’ blijkt een Amsterdamse jongeman te zijn. Hij beschrijft een reisje waarbij hij voor het eerst van zijn leven buiten de stad komt.

 

In zijn gewone leven woont hij op de Herengracht. Hij is daar in de buurt ook op school geweest. Zondags maakt hij een ommetje langs Heren- of Keizersgracht, doet een uitstapje naar het Begijnhof, de Hortus. In die Hortus heeft hij gezien: een sinaasappelboom. Daarom denkt hij dat exotische vruchten, zoals sinaasappels, gewoon in Amsterdam gekweekt worden. Hij weet ook niet beter dan dat haring en andere vissen simpelweg uit de Amsterdamse wateren opgehaald worden. Van de rest van de wereld weet hij niets. Hij weet alleen dat buiten Amsterdam de zee begint.

 

Wanneer een oude schoolvriend hem vraagt hem een bezoek te komen brengen, in Ouderkerk, is dat het begin van een groot avontuur. Het jongmens brengt, samen met moeder en zussen, een hele dag door met het inpakken van proviand voor de reis. Hierbij veel beschuit – want dat moet je bij je hebben, op een zeereis (u en ik weten natuurlijk dat in 1809 Ouderkerk eigenlijk alleen goed per water te bereiken is). De nacht vóór het vertrek brengt het gezin door op stoelen, want je mag je niet verslapen wegens de vertrektijd van het schip. Het lijkt wel een beetje op een vermoeiend nachtje Schiphol, vóór het vliegtuig in alle vroegte naar Oezbekistan vertrekt. In de ochtend volgt een moeitevolle tocht door de stad heen naar de Berebijt, bij de Hogesluis, waar het beurtschip naar Ouderkerk ligt.

Eenmaal op het schip verkeert het jongmens in de veronderstelling dat hij op zee is. Hij is hoogst verbaasd, al vrij kort na het vertrek, een grote stad te ontdekken. Volgens een medereiziger is dat gewoon Amsterdam. De jongeheer echter heeft Amsterdam nog nooit als het ware in van buitenaf perspectief gezien, met stadsomtrekken die er heel anders uitzien dan in zijn ervaring. Zo gaat het verhaal voort. Hij ziet tegemoetkomende zeilschepen voor Oostinjevaarders aan, denkt bij het Kalfje al ter hoogte van India te zijn, enzovoorts enzoverder. De lezer van 1809 lacht.

 

Vóór die tijd had je in de Amsterdamse literatuur verhalen waarbij men lachte om een ander soort domheid: die van Westfaalse moffen die bij aankomst in Amsterdam denken dat de Herengracht de Noordzee is, en het stadhuis het hemelpaleis. Toen ik mijn vrouw, die van de kust afkomstig is, vertelde over deze reis naar Uithoorn ter Zee, zei zij dat dit alles háár deed denken aan familie, boerenmensen uit Eijsden (beneden Maastricht). Die bezochten rond 1955 haar ouders. Die mensen vroegen, op hun eerste zien van de Noordzee, schuchter of je niet moest betalen, ergens, voor dat uitzicht.

 

Maar waarom drong, na lezing van dit verhaal, zich aan mij zo onweerstaanbaar op: die herinnering aan die gewestvergadering van de PvdA, van tientallen jaren geleden?

 

Ik vermoed dat het verband is: het aantreffen van een zelfgenoegzaamheid die erop lijkt.

 

In het geval van de jongeman was die wereldblindheid niet zo erg, moreel gezien. Hij was gewoon een beetje dom; hij was nooit uit Amsterdam weggeweest. Hij had alleen  een vertekende blik op de wereld. Soms heeft trouwens de idee dat Amsterdam genoeg is, iets heel vertederends. Een flink deel van de luisteraars heeft, denk ik, niet onterecht het gevoel dat een mens buiten Amsterdam niets te zoeken heeft. In Amsterdam is namelijk alles wat je nodig hebt. Wat moet je, zeg, in Utrecht? Dat gevoel vind je vaak terug in de rubriek ‘Mijn Amsterdam’, in Het Parool. Dat is allemaal heel begrijpelijk.

 

Maar er bestaat ook een soort zelfgenoegzaamheid, een soort ongefundeerde betweterij, die nergens op slaat. Denk aan die wethouders die plotseling schreeuwerig via de krant laten weten dat het Rijk zonder meer de morele plicht heeft mee te betalen aan de enorm opgelopen Amsterdamse metroschulden. Dat is een beetje een mentaliteit van ‘Amsterdam hat immer recht’, waarbij de rest van de wereld niet bestaat.

 

Nu tenslotte – hèhè – die gewestvergadering van rond 1972. Ondergetekende was toen lid van de PvdA, en moest af en toe naar een gewestvergadering van die partij. Dat is, of was, een soort vergadering waarin alle stadsafdelingen van de PvdA samen dingen bespreken die de gehele stad aangaan.

 

In die tijd zag je de samenstelling van de deelnemers drastisch veranderen. De gewone mensen verdwenen. Daarvoor in de plaats kwamen studenten met veel vrije tijd, massa’s lieden uit de socio-hoek, en dat soort activistes dat met overtuiging kon zingen: ‘Op socialistes, sluit uw dijen’. Op die vergaderingen ging het steeds minder over de stad, of over het welzijn van de bevolking; en steeds meer over de welhaast theologische implicaties van allerlei heel- en half marxistisch gedachtengoed. Deze  heren en dames waren heel ingenomen met zichzelf en met hun progressieve leiderschap.

 

Die éne vergadering nu. Een bepaalde afdeling, zo ongeveer de enige waar nogal wat arbeiders van de oude stempel voorkwamen, had iets op de agenda laten zetten: de verschillen die begonnen te ontstaan in de oude stadswijken tussen de oude bevolking en de nieuwkomers. Moest daar niet eens over nagedacht worden?

 

Onmiddellijk besteeg Ed van Thijn het spreekgestoelte en begon een preek van vijftien minuten. Hij ging niet in op het probleem. Hij sprak over discriminatie, de gevolgen van discriminatie, het voorkomen van discriminatie. Over niets anders.

Zijn optreden was enigszins begrijpelijk, in het kader van het bekende trauma veroorzaakt door de geschiedenis.

Maar tegelijk was het een vorm van socio-theologische zelfgenoegzaamheid, uiting van verplichte progressieve voorlijkheid, verheerlijking van een zielzorgende betweterij; en van totale blindheid voor werkelijke bevolkingsproblemen.

 

Blijkbaar legde mijn herinnering onmiddellijk een verband tussen het reisje naar Uithoorn in 1809 en de Thijnse rechtvaardige van 1972.

 

 

* Complete titel: Reis van Amsterdam naar den Uithoorn ter Zee: onder het zinrijk en veelbeteekenend woord Moria; zijnde noch oorspronkelijk, noch vertaald, noch nagevolgd. Eerste deels, eerste stuk. Te Amsterdam, bij Belinfante en comp., 1809. – Een tweede stuk is niet bekend. De tekst is wel toegeschreven aan Bruno Daalberg. Diens werk wordt inderdaad nogal eens genoemd in de Reis. Bij het lezen moest Herkauwer inderdaad even denken aan een andere tekst van Daalberg: waarin de eveneens zeer wereldvreemde hoofdfiguur eveneens zo’n reis maakt, maar nu naar Amsterdam toe. In Daalbergs Jan Perfect (1817) stapt namelijk de Leidse semi-intellectueel (zijn er andere?) Jan, wanneer hij van plan is zuidwaarts een wereldreis te beginnen, te Leiden in een stilliggende trekschuit en valt in slaap. Wakker geworden blijkt hij noordwaarts te gaan, richting Amsterdam, waar hem vreemde dingen overkomen. – De recensent van de Letteroefeningen (1810, p. 609-610) had gemengde gevoelens bij het lezen van het boekje.

Woudman (1798)

De tijd: 1798. Het decor: een landstreek ergens in de buurt van Eupen, Vaals zo ongeveer. De situatie: de Boerenkrijg (het conservatieve verzet tegen de revolutionaire Fransen in de voormalige zuidelijke Nederlanden) is volgens de auteur naar die streek overgeslagen.

Dat kan nog allemaal.

De hoofdpersonen:

in het diepe woud verschuilt zich een dwerg die kolenbrander en alchimist is;

ergens woont een Hollander, Bruyn-de Hundt (!!), die patriot is maar tegelijk (?!) dol op de beschaving van de adel;

zijn dochter Georgine zit in Parijs, doet aan Mesmer, en bevredigt heurzelve;

in aantocht is de hyper-roomskatholieke baron IJsbrandt Unico baron van Lintelo de Marsch, lid van de ridderschap van Zutphen, door pa bestemd voor Georgine;

Hermanus, de echte geliefde van Georgine;

 

Bent u er nog?

Herkauwer slaat nu maar over: een dozijn figuren uit het clericale, bokkenrijderachtige verzet; Jean-Jacques Prud’homme die…

Wat gebeurt er allemaal? Herkauwer weet het niet. Al die figuren kruisen wel elkaars modderpaden, maar er is niets noodzakelijks dat hun treffen bepaalt en regeert. Het is een chaos.

Het is allemaal wel héél mooi, vernuftig, en literairderig opgeschreven.

“Zijn spieren verstramden [!] en zijn gedachten vulden zich als met klonterig magnesiumzout.” (p. 28)

Misschien had de schrijver zelf hier een snuifje genomen. Dan zie je soms te veel.

“Zijn oren leken op de handvatten van de kelk waaruit hij als pastoor later de wijn mocht drinken”.

Zelfs in de Vaticaanse musea hebben ze, vreest Herkauwer, geen miskelken met handvatten eraan.

Het is allemaal gewoon bedoeld als briljant proza van een zeer edele geest, denkt Herkauwer.

Dat alles begint al met twee motto’s uit respectievelijk de Atalanta fugiens (1602) en de Josua van Vondel. Men is niet van de straat, zogezegd.

Oh ja. Bij deze esoterische roman van klasse zijn natuurlijk noten nodig. Dat heet hier ‘Glossarium’. Een paar juweeltjes:

“De Libellisten waren destijds wat de roddeljournalisten nu zijn [...]. De blaadjes waarin ze publiceerden heeten Libelles, waarnaar in onze huidige tijd het vrouwenblad Libelle nog verwijst.” (p. 214).

Kezen, scheldnaam voor de Fransen.” (p. 215)

Voor de experts:

“De ware alchemie is de ‘halchimia’, de zoutkoking (Grieks ‘hal’ =  zout, ‘chyo’ = ik kook.)” (p. 213). Jazeker. Zo is de naam Babel natuurlijk afkomstig van ‘babbelen’.

 

Stop zo’n Huigen in een ton, met een hoepeltje erom – en dan valt-i nog steeds in duigen.

 

René Huigen, Woudman. Roman. Amsterdam, Bezige Bij 2009. ISBN 978 90 234 4140 3. 222 blzz. E 18,90.

Wellicht heeft u in reisbeschrijvingen van buitenlanders wel eens gelezen over hun bezoeken aan Broek-in-Waterland, het toenmalige Volendam. Daar was dat hele dorp altijd bezig met poetsen. Of over die buitenlander, die in Amsterdam, bij zijn bezoek aan een grachtenpand, door een dienstmaagd over de schouder geworpen werd en op die manier mee naar binnen genomen, omdat hij anders haar net geboende plavuizen vuil maakte.

Maar aan de Zaankant konden ze er ook wat van.

Aldus een gesprek in een schuit, van Amsterdam naar Uithoorn*:

“Hierop verhaalde eene der vrouwen, dat er eene natie was, waarvan zoo mannen als vrouwen, ofschoon zeer rijke lieden en bezitters van schoone huizen, in haar keukenskeukentje huis hielden, uit vreeze van die huizen vuil te maken, en dat de vrouwen, uit vreeze van haare pannen en potten vuil te maken, die, des niettegenstaande, op zijnen tijd behoorlijk geschuurd werden, geen pot kookten, maar hare mannen op een boterham en koffij vergastten, die, wilden zij eens een goed stuk gekookt eten hebben, verpligt waren, in eene naburige stad, in eene herberg te gaan, ten einde hunne holle magen aldaar voor eenigen tijd te provianderen, Zij voegde er bij, dat die mannen, even zoo dwaas als hunne vrouwen, dit niet alleen euvel opnamen, maar, ziende zulks als eene deugd in haar aan, zelfs geene andere vrouwen zouden verkiezen.

De advokaat zeide, deze natie te kennen; hij had in haar land gereisd en noemde ze Saardammers of Zaankanters.”

* Reis van Amsterdam naar den Uithoorn [...]. Amsterdam 1809, p. 96-97

Liefde per ei (1810)

Meisjes, u kunt natuurlijk uw liefde verklaren per gewoon sms-je.

Maar het kan ook per ei.

Binnenkort is het St. Nicolaas, dus als uw geliefde tegen die tijd in zijn schoen (Nike?) uw ei vindt, met uw geheime kooswoordjes, trekt het veel meer zijn aandacht.

Deze ei-methode ontdekte Herkauwer in de Leer- en oefenschool voor de jeugd (1810-1812). Aldaar leest men:

‘Men bereidt eene inkt van galappelen, aluin en azijn, waarmede men op de uitwendige schaal van een ei schrijft. Dit laat men in de zon droogen, en kookt vervolgens het ei in zoutwater zoo lang, tot dat het hard wordt. Is dit geschied, dan zullen alle letters verdwenen, en inwendig doorgedrongen zijn. Het ei zendt men aan zijnen vriend, die bij deszelfs behoedzame opening den ganschen brief op het witte van het ei zal vinden’.

Deze ei-gift sluit ook goed aan bij de algemene menselijke ervaring dat de liefde van de man door de maag gaat.

Politiek jargon (1795)

U denk natuurlijk wel eens: kan iedereen nu eens een tijdje zijn mond houden over tolerantiemulticultizorgzamesamenleving enzovoorts? Kunnen Prem Hoera en Frits A. en nog een aantal dergelijke scribenten niet opgeborgen worden in een leuk optrekje in Timboektoe, waar ze heel lang verplicht moeten gaan luisteren naar bij hen passende muziek? Dus naar respectievelijk schrille amerikaanse filmmuziek met veel valse trompetten, en muzak uit het kostuummuseum?

Nu, dat dachten ze ook al in 1795, na het aanhoren van een paar maanden revolutionaire retoriek van onze nieuwe nationale volksrepresentanten. Hieronder een lang citaat uit een krantje. De auteur maakt gebruik van een soortgelijke opsomming als in de Janus van 1787. Janus doet dat veel beter en effectiever, maar Herkauwer heeft nu eenmaal deze bron voor zich liggen.

Die bron is: De eenige courant zonder naam, en zonder vervolg; houdende veelerlei soort van nieuws-tijdingen, en verscheidene veel-beduidende-advertentien.

 

De auteur van deze ‘courant’ is geen talent. Als het enige leuke in deze courant beschouwde Herkauwer een fake-stuk, een request van Moses Listong [ = Slistong] om ook tot de mensen gerekend te mogen worden. Dat wordt afgewezen door de regering. Het antwoord is ondertekend door secretaris Superstitiosus.

 

Maar nu dat citaat. Het is een advertentie van een winkelier. Die biedt eigenlijk een soort inburgeringscursus aan; de kennis van het juiste jargon van dat moment.

 

‘De Burger WOORDENRIJK adverteerd hier mede, dat, alhoewel de Woorden SCHURK, VEE, SCHUIM, en dergelijken, door het verwonderlijk sterk vertier, en de considerable verzendingen, bijnaar geheel bij hem zijn uitverkogt, en dat derhalven, voor de aankomst van eene nieuwe quantiteit, welke hij binnen weinige dagen daar van verwagt, geene afleveringen van gemelde Woorden kunnen gedaan worden, als naauwlijks in staat zijnde, om zijne dagelijksche calanten nog eenigzins daar van te kunnen gerijven, hij echter reeds weer op nieuw heeft ontvangen eenen zeer aanzienlijken voorraad van veelerhande soorten van andere Woorden, welke tans niet minder, dan de voorschreevene, werden gezogt, en ook in de daad van geene mindere nuttigheid zijn; zo als Welklinkende, Brommende, Hoogdravende, Verheevene, Stoute, Sterke, Staatkundige, Vaderlandlievende, Aandoenlijke, Beweeglijke, Hartbreekende, Bemoedigende, Vrijheid-ademende, Gelijkheid-lievende, Broederschap-minnende, en meer andere Woorden, allen zonder de minste Geest of Vernuft, en bij uitneemendheid geschikt, om bij het aanvaarden of nederleggen van deezen of geenen Post in de eene of andere Vergadering; in zeer weinig tijds, door slegts eenige duizenden van die Woorden een klein weinigje in orde te schikken, eene almagtige lange Aanspraak te kunnen gereed maaken; als mede, om op die zelfde wijze, allerhande gewigtige Propositien, zo lang als men verkiesd, te kunnen tzaamenstellen; zonder dat, wanneer men de voorschreevene Woorden maar niet al te spaarzaam gelieft te gebruiken, er dan IETS Zaaklijks, of Verstandigs, in zulke Aanspraaken of Propositien behoefd gevonden te worden. Ook kan men allerhande gemaakte Aanspraaken, Voorstellen van Verbeetering, enz., die op alle gelegenheden toepasselijk zijn, bij hem te koop krijgen, zo lang, en zo kort, als men dezelve verlangd; doch de langste, die hij in voorraad maakt, zijn niet boven de twaalf ellen; die ze langer verkiest, moet ze vooraf bestellen. Dezelve Aanspraaken en Voorstellen verkoopt hij ook met recitatief Muziek er boven gesteld, voor de genen, die, ten einde aan dezelven eenen bijzonderen aandrang bijtezetten, en nog des te meer indruk op de harten der Toehoorders te doen maaken, dezelve verkiezen te zingen. Hij heeft ook mede, alleen tot gemak en ten nutte der Weldenkenden en Bekwaamsten zijner Landgenote, zig eene quantiteit van eenige duizenden lange Ademen aangeschaft; zeer commood, om zelfs de allerlangste Aanspraak of Propositie ’t zij men dezelve op den gewoonen toon der Redenaaren, of op den declamatoiren toon van sommige tooneelisten, of naar de nooten van de Muziek wil hooren laaten, in éénen Adem te kunnen uitbazuinen. Hij beloofd goede waar, en eene prompte bediening, verzoekende een ieders gunst en recommandatie.’

Veiling van vrouwen (1800)

Gewoon ordinaire nieuwsgierigheid: welke vrouwen zouden volgens de onderstaande titel verkocht zijn? En door wie? Is het een soort sleutel op bekende dames, maîtresses? Een satire? Een fake-catalogus? Is het mogelijk dat onder de namen van de verkopers, sommige politici uit die tijd herkenbaar zijn? Wie het weet mag het zeggen…

 

Helaas is onderstaand werk onvindbaar in de KB, waar, volgens de STCN, het enige exemplaar aanwezig zou moeten zijn.

Catalogus Van eene aanzienelijke supra keurige partij, fraaije en schoone, mitsgaders bevallige maagden, vrijsters, bejaarde dochters, weduwen, enz. welke na veele opofferingen van lachende lonkjens, tedere zuchtjens, en sentimenteele hijgende boesemtjens, als mede na verscheiden aanbiedingen van schatten, vrugteloos na een vereend leven gewagt hebben. Met veel moeiten, kosten en vlijt, opgezocht, en nagespeurt, door Mousje Haspeliorum. En welken Verkogt zullen worden door de Burgers Heuvelimanii, Bossianiono, Dolonus Timanii, Grevesianiono, Dijkasino, Katsekiama. Tijd en Uur zal nader bij Advertentie bepaald worden. MDCCC.

Duitse duivels

In de Duitse landen bleef men langer dan in de Republiek geobsedeerd door het probleem van de hekserij, en door de vermeende invloed van duivels en boze geesten op mensen. In 1728 werd in dit deel van Europa de laatste heks verbrand, maar nog in 1775 vond een aanklacht wegens hekserij plaats.

Bij de verandering in de Duitse mentaliteit ten opzichte van dit probleem speelde een belangrijke rol de Betoverde Weereld (1691-1693) van Balthasar Bekker. Dat werk werd al in 1693 vertaald, maar nog in 1781/1782 verscheen een nieuwe editie te Leipzig, door Schwager, Bezauberte Welt. Die vertaling kreeg de aandacht van de belangrijke theoloog (neoloog) Semler.

Over de ontwikkelingen gedurende die hele periode verscheen een uitstekend werk van Annemarie Nooijen.* Daarin komt een massa interessante problemen aan de orde, zoals de strijd over de verhouding verstand/openbaring; de ontwikkeling van een  moderne bijbelexegese; de strijd tegen calvinistische letterlijkheid.

Het is hier de plaats niet om dat alles breed aan de orde te stellen.

Ter verduidelijking de laatste twee alinea’s van Annemarie Nooijen’s samenvatting (p. 514):

“De stelling dat het de Verlichting in de Duitse landen in eerste instantie om ‘onttovering’ van de wereld ging en dat ze vooral op secularisatie was gericht, moet worden herzien. De Duitse reacties op De Betoverde Weereld en de context waarin ze figureren, laten zien dat de strijd tegen duivelswaan en het ongebreidelde geloof in geesten goeddeels ook christelijke wortels had. Niet de wil tot secularisatie, maar een apologetisch streven naar een verlicht, gereformeerd christendom kenmerkte de inzet van de neologen, die als groep een niet te onderschatten drijvende kracht voor de verder ontwikkeling van de Duitse Verlichting vormden.

De Duitse neologen waren ook voor het intellectuele klimaat in de Nederlandse Republiek van betekenis: in de tweede helft van de achttiende eeuw strekten ze hun Nederlandse vakgenoten vaak tot voorbeeld, die hun geschriften vertaalden en becommentarieerden. Zo kon Bekker via de Duitse ‘omweg’ meer dan een halve eeuw na zijn dood impliciet opnieuw invloed doen gelden in zijn vaderland dat hem tevoren zozeer had verguisd. Misschien toont dit bijkomende aspect van de intensieve Duitse receptie van Bekkers denkbeelden nog wel het duidelijkst aan dat de grote aandacht voor De Betoverde Weereld allesbehalve een ‘succès de scandale’ was.”

Mooi. Herkauwer twijfelt een beetje of dat wel echt mogelijk is, dat scheiden van de vroege Verlichting en dat hier zo genoemde ‘verlicht, gereformeerd christendom’; temeer omdat de schrijfster Bekker ook wel schildert als een vertegenwoordiger van die genoemde verlichting (bijv. p. 37) – maar die discussie kan hier niet gevoerd worden.

Een goed boek.

 

* Annemarie Nooijen, “Unserm grossen Bekker ein Denkmal”? Balthasar Bekkers Betoverde Wereld in den deutschen Landen zwischen Orthodoxie und Aufklärung, Münster, Waxmann, 2009. Studien zur Geschichte und Kultur Nordwesteuropas 20. ISBN 978-3-8309-2225-6. 514 blzz. E 39.

Was het inderdaad op de bewaarschool? Herkauwer meent zich te herinneren dat je daar wel eens van de juffen een soort plakplaatje (een gekleurde vlinder, een engeltje, of zoiets) in je schriftje geplakt kreeg wanneer je een ‘mooie’ tekening gemaakt had, of iets anders goed gedaan had.

Blijkbaar is het uitreiken van die plakplaatjes al eeuwenoud. Herkauwer las onlangs in het Hollandsch Buurpraatie, een patriots tijdschriftje voor de gewone man, uit 1784. Daarin werden een paar orangisten venijnig aangevallen. Onder hen ‘de Leidsche Poppenkramer’ (kennelijk Le Francq van Berkhey), maar ook ‘de Kinderkoning’ uit Rotterdam.

Die laatste bleek ene Jan van Beest te zijn, een geboren Geldersman. Hij was ‘schoolhouder’ te Rotterdam, in de Korte Baanstraat. Die man was helemaal fout, volgens deze tekst. Want hij leerde de kinderen schrijven, met als schrijfvoorbeelden uitsluitend oproerige (= orangistische) spreuken.

En passant werd opgemerkt dat die orangistische kindertjes, schreven ze netjes, een ‘bonnetje of beestje’ kregen.

Ineens herinnert Herkauwer zich dat hij, wegens zijn geteken op de ‘bewaarschool’, toen al zwaar geschokt geraakt is in zijn vertrouwen in de mensheid, in casu de begeleidsters. Want hij had als deel van zo’n tekening een stralende zon gemaakt. De stralen van die zon had hij, in zijn herinnering, getekend als een soort wegspiralende lijnen. Juf had meegedeeld dat dat niet goed was: die lijnen leken wel spinne(n)poten. Nu had de kleine herkauwer nog nooit gekeken naar spinnepoten, en de reikwijdte en waarheid van jufs observatievermogen dus in het geheel niet begrepen. Dus tekende hij de volgende keer wéér die spiralen. Daarop was juf spinnijdig geworden. Zij sprak zeer bestraffende woorden. U begrijpt: een plakplaatje kon er absoluut niet af.

De MP en de Sint

Omdat Herkauwer wel eens de Nederlandse regering adviseert, heeft hij inzage gekregen in het volgende geheime document:

 

Aan Sint

 

Dit is mijn hoogsteigen schoen.

Echt een schoen dus van fatsoen.

Niet zo’n paapse. Eerder: Urkse.

Niet zo zwierig. Eerder: nurkse.

Niet zo uit uw santenkraam.

 

Maar vandaag bid ik gezwind

Tot u. Omdat u samenbindt.

Ik wil graag dát boekje krijgen

Waardoor elke journalist gaat zwijgen.

Want dan treft mij nooit meer blaam.

 

Sint! word ik hoogste baas van Europe,

Dan heb ik hard nodig: Het trieste der topen.

 

Jan Peter

(PS. De wortel voor het paard is opgenomen in de begroting van 2013)

Zomaar wat (11)

Wie glazen muiltjes wil, krijgt er een glazen plafond bij.

Oudere Berichten »