Voordracht zender AmsterdamFM 25 november 2009
Dezer dagen drong zich een herinnering op. Een herinnering aan een gewestvergadering van de PvdA, zo rond 1972. Dat kwam: ik las een wat vreemd boekje, met de titel Reis van Amsterdam naar den Uithoorn ter Zee, uit 1809*.
Het verband tussen die herinnering en het lezen van dat boekje was voor mij eerst niet logisch. Maar ja, opkomende herinneringen werken vaak niet zo ‘logisch’.
Eerst dat boekje, die Reis uit 1809. Het is een Nederlands verhaal, maar geschreven op de manier van Sterne, een beetje tongue-in-cheek dus. Het begint zo:
‘Niets is zotter dan een Amsterdammer, die nimmer buiten de poort is geweest; die, wanneer hij velden, bosschen en wegen ziet, zich verbeeldt, dat dit alles onbewoonbaar is. Hij eet zijn brood, zijn kaas en hij drinkt zijn bier of wijn, zonder te weten hoe dat alles groeit. Vóór mijne reis, was ik in dit geval’.
Die ‘ik’ blijkt een Amsterdamse jongeman te zijn. Hij beschrijft een reisje waarbij hij voor het eerst van zijn leven buiten de stad komt.
In zijn gewone leven woont hij op de Herengracht. Hij is daar in de buurt ook op school geweest. Zondags maakt hij een ommetje langs Heren- of Keizersgracht, doet een uitstapje naar het Begijnhof, de Hortus. In die Hortus heeft hij gezien: een sinaasappelboom. Daarom denkt hij dat exotische vruchten, zoals sinaasappels, gewoon in Amsterdam gekweekt worden. Hij weet ook niet beter dan dat haring en andere vissen simpelweg uit de Amsterdamse wateren opgehaald worden. Van de rest van de wereld weet hij niets. Hij weet alleen dat buiten Amsterdam de zee begint.
Wanneer een oude schoolvriend hem vraagt hem een bezoek te komen brengen, in Ouderkerk, is dat het begin van een groot avontuur. Het jongmens brengt, samen met moeder en zussen, een hele dag door met het inpakken van proviand voor de reis. Hierbij veel beschuit – want dat moet je bij je hebben, op een zeereis (u en ik weten natuurlijk dat in 1809 Ouderkerk eigenlijk alleen goed per water te bereiken is). De nacht vóór het vertrek brengt het gezin door op stoelen, want je mag je niet verslapen wegens de vertrektijd van het schip. Het lijkt wel een beetje op een vermoeiend nachtje Schiphol, vóór het vliegtuig in alle vroegte naar Oezbekistan vertrekt. In de ochtend volgt een moeitevolle tocht door de stad heen naar de Berebijt, bij de Hogesluis, waar het beurtschip naar Ouderkerk ligt.
Eenmaal op het schip verkeert het jongmens in de veronderstelling dat hij op zee is. Hij is hoogst verbaasd, al vrij kort na het vertrek, een grote stad te ontdekken. Volgens een medereiziger is dat gewoon Amsterdam. De jongeheer echter heeft Amsterdam nog nooit als het ware in van buitenaf perspectief gezien, met stadsomtrekken die er heel anders uitzien dan in zijn ervaring. Zo gaat het verhaal voort. Hij ziet tegemoetkomende zeilschepen voor Oostinjevaarders aan, denkt bij het Kalfje al ter hoogte van India te zijn, enzovoorts enzoverder. De lezer van 1809 lacht.
Vóór die tijd had je in de Amsterdamse literatuur verhalen waarbij men lachte om een ander soort domheid: die van Westfaalse moffen die bij aankomst in Amsterdam denken dat de Herengracht de Noordzee is, en het stadhuis het hemelpaleis. Toen ik mijn vrouw, die van de kust afkomstig is, vertelde over deze reis naar Uithoorn ter Zee, zei zij dat dit alles háár deed denken aan familie, boerenmensen uit Eijsden (beneden Maastricht). Die bezochten rond 1955 haar ouders. Die mensen vroegen, op hun eerste zien van de Noordzee, schuchter of je niet moest betalen, ergens, voor dat uitzicht.
Maar waarom drong, na lezing van dit verhaal, zich aan mij zo onweerstaanbaar op: die herinnering aan die gewestvergadering van de PvdA, van tientallen jaren geleden?
Ik vermoed dat het verband is: het aantreffen van een zelfgenoegzaamheid die erop lijkt.
In het geval van de jongeman was die wereldblindheid niet zo erg, moreel gezien. Hij was gewoon een beetje dom; hij was nooit uit Amsterdam weggeweest. Hij had alleen een vertekende blik op de wereld. Soms heeft trouwens de idee dat Amsterdam genoeg is, iets heel vertederends. Een flink deel van de luisteraars heeft, denk ik, niet onterecht het gevoel dat een mens buiten Amsterdam niets te zoeken heeft. In Amsterdam is namelijk alles wat je nodig hebt. Wat moet je, zeg, in Utrecht? Dat gevoel vind je vaak terug in de rubriek ‘Mijn Amsterdam’, in Het Parool. Dat is allemaal heel begrijpelijk.
Maar er bestaat ook een soort zelfgenoegzaamheid, een soort ongefundeerde betweterij, die nergens op slaat. Denk aan die wethouders die plotseling schreeuwerig via de krant laten weten dat het Rijk zonder meer de morele plicht heeft mee te betalen aan de enorm opgelopen Amsterdamse metroschulden. Dat is een beetje een mentaliteit van ‘Amsterdam hat immer recht’, waarbij de rest van de wereld niet bestaat.
Nu tenslotte – hèhè – die gewestvergadering van rond 1972. Ondergetekende was toen lid van de PvdA, en moest af en toe naar een gewestvergadering van die partij. Dat is, of was, een soort vergadering waarin alle stadsafdelingen van de PvdA samen dingen bespreken die de gehele stad aangaan.
In die tijd zag je de samenstelling van de deelnemers drastisch veranderen. De gewone mensen verdwenen. Daarvoor in de plaats kwamen studenten met veel vrije tijd, massa’s lieden uit de socio-hoek, en dat soort activistes dat met overtuiging kon zingen: ‘Op socialistes, sluit uw dijen’. Op die vergaderingen ging het steeds minder over de stad, of over het welzijn van de bevolking; en steeds meer over de welhaast theologische implicaties van allerlei heel- en half marxistisch gedachtengoed. Deze heren en dames waren heel ingenomen met zichzelf en met hun progressieve leiderschap.
Die éne vergadering nu. Een bepaalde afdeling, zo ongeveer de enige waar nogal wat arbeiders van de oude stempel voorkwamen, had iets op de agenda laten zetten: de verschillen die begonnen te ontstaan in de oude stadswijken tussen de oude bevolking en de nieuwkomers. Moest daar niet eens over nagedacht worden?
Onmiddellijk besteeg Ed van Thijn het spreekgestoelte en begon een preek van vijftien minuten. Hij ging niet in op het probleem. Hij sprak over discriminatie, de gevolgen van discriminatie, het voorkomen van discriminatie. Over niets anders.
Zijn optreden was enigszins begrijpelijk, in het kader van het bekende trauma veroorzaakt door de geschiedenis.
Maar tegelijk was het een vorm van socio-theologische zelfgenoegzaamheid, uiting van verplichte progressieve voorlijkheid, verheerlijking van een zielzorgende betweterij; en van totale blindheid voor werkelijke bevolkingsproblemen.
Blijkbaar legde mijn herinnering onmiddellijk een verband tussen het reisje naar Uithoorn in 1809 en de Thijnse rechtvaardige van 1972.
* Complete titel: Reis van Amsterdam naar den Uithoorn ter Zee: onder het zinrijk en veelbeteekenend woord Moria; zijnde noch oorspronkelijk, noch vertaald, noch nagevolgd. Eerste deels, eerste stuk. Te Amsterdam, bij Belinfante en comp., 1809. – Een tweede stuk is niet bekend. De tekst is wel toegeschreven aan Bruno Daalberg. Diens werk wordt inderdaad nogal eens genoemd in de Reis. Bij het lezen moest Herkauwer inderdaad even denken aan een andere tekst van Daalberg: waarin de eveneens zeer wereldvreemde hoofdfiguur eveneens zo’n reis maakt, maar nu naar Amsterdam toe. In Daalbergs Jan Perfect (1817) stapt namelijk de Leidse semi-intellectueel (zijn er andere?) Jan, wanneer hij van plan is zuidwaarts een wereldreis te beginnen, te Leiden in een stilliggende trekschuit en valt in slaap. Wakker geworden blijkt hij noordwaarts te gaan, richting Amsterdam, waar hem vreemde dingen overkomen. – De recensent van de Letteroefeningen (1810, p. 609-610) had gemengde gevoelens bij het lezen van het boekje.