Voorgelezen zender AmsterdamFM 4 november 2009
Op, en vlak bij het Spui, zitten veel belangrijke boekhandels. Je hebt het Athenaeum, American Bookstore, Scheltema, Waterstone’s. U komt daar vast wel eens. Bijvoorbeeld om uw buitenlandse literatuur te kopen. Of om uw nieuwe Herman Koch te halen; uw Robert Vuijsje; zodat u weer weet hoe dat werkt, met de liefde, in Oud-Zuid en de Bijlmer. Of u zoekt naar Tina Weemoed, omdat u zelf ook zelf wel eens wil raden naar de identiteit van die schrijfster.
Die boekhandel-functie heeft het Spui niet altijd gehad. In de zeventiende en achttiende eeuw zaten de belangrijkste Amsterdamse boekhandels meestal op de Dam en rondom de beurs. Vanuit die boekhandels, tegelijk vaak uitgeverijen, werd half Europa bevoorraad met de belangrijkste boeken uit die tijd.
Maar vandaag niks geleerds over die Amsterdamse Cultuur met een grote C. Integendeel. Wel iets over een ander soort teksten die massaal in Amsterdam gekocht werden, in het verleden. Een soort teksten waarvan André Hazes misschien genoten zou hebben; waarvan ook Koos Alberts, Pieter Beense en zoveel anderen, bij het lezen misschien wel rozig zouden worden.
Daarom even terug naar het Spui. Daar kunt u, rond 1720, op de Osjessluis – dat is de brug die in die tijd nog, over het water van het Spui heen, de twee stukken Kalverstraat verbindt – op bepaalde dagen een wat raar mannetje zien. Hij staat achter een enorme hondenkar. Het mannetje is een soort lilliputter. Hij heeft een hond naast zich. Die hond draagt een mars, waarin boekjes. Op de wagen of kar (soms is het een kruiwagen) van deze lilliputter vindt u pakken met teksten van populaire liedjes. Op losse bladen. Hij heeft er tweedduizend, zegt hij zelf. Op de kar ook: complete liedboeken. Die staan vol met smartlappen over liefde en leed, moorden, schipbreuken, wufte meisjes, en gestorven poesjes; met liedjes over stukadoors die iets komen plamuren bij eerbare huisvrouwen, en metselaars die een bijzonder soort schoorstenen komen inspecteren. Er zijn liedjes voor bij het uitgaan, in de Plantage en aan de Volewijk in Noord. Er zijn teksten over opgehangen misdadigers; en over meisjes met expres niet helemaal vastgespelde neusdoeken – anders gezegd: meisjes met opvallende décolletés.
Die lilliputter met zijn liedboekjes heeft een nette naam in de Amsterdamse archieven. Die is: Pieter de Vos. Maar heel Amsterdam kent hem als: ‘Klein-Jan’.*
In deze tijd zingt heel Amsterdam zich nog te pletter; thuis, op straat, op feestjes. Ze zitten allesbehalve eindeloos in Cats of in de Hollandsche Spectator te lezen. Die gedachte moet u maar overlaten aan de gemankeerde onderwijzers die de Nederlandse Wikipedia samenstellen, of aan die kenners van de Nederlandse geschiedenis die eindeloos en incestueus ruziën over de betekenis van abstracte Historische Theorema’s.
De burger-Amsterdammer las zeker wel es Cats, Van Effen. Maar hij wist ook heel goed, wie Klein-Jan was. De gewóón-gewone Amsterdammer, daarnaast, kwam weinig in de boekhandel. Maar hij wist precies waar hij zijn toenmalige cd’tjes met songs moest kopen, wanneer hij ergens aangrijpend had horen zingen over een verscheurd portret op de schoorsteenmantel; of over de gruwelijke daden van de Hannibal Lecter van toen. Wilde hij zelf wat zingen of horen over zielige Duitse dienstmeisjes die in de prostitutie belanden; over netjes-aangeklede jodenmensen die op sjabbes een bepaalde route lopen door de stad; over idiote nieuwe mode en rare kapsels; over een dagje naar Zandvoort; over een beroemde inbreker; over een brand in de schouwburg; dan is het: naar Klein-Jan! Die is – wat is het vandaag? – op het Spui te vinden, met zijn kar; maar, als het maandag is, staat hij op de Botermarkt (het Rembrandtplein dus), op zaterdag op de Dam, enzovoorts. Het traject van Klein-Jan is zo voorspelbaar als de route van de orgeldraaier.
Daar, op het Spui, verkoopt Klein-Jan Thirsis minnewit (1654), tientallen keren herdrukt. Daar verkoopt hij boekjes met titels die klinken als ‘De Overtoomsche markt-schipper’, of ‘De Durgerdammer visser’.
De teksten in die boekjes zijn nu soms niet meer helemaal te begrijpen. Luister eens naar het vermoedelijk sexy bedoeld begin van ‘Een Meisje in ’t Groen. Voys: Van Kaatjes Coole.’*
Ik ging lest wandelen langs de Boomen,
Om my wat te verlusten.
Daer zag ik een mooi meisje koomen,
Ik sey wellekom Susje.
Hoog is de solder, laeg is de vloer,
Schoon is de Dogter, Leelyk is Moer,
’t Zyn van Kaatjes Koole Cammeraatje,
’t Zyn van Kaatjes Koole.
Mooi hè, dat volmaakt zinloze ‘Hoog is de solder, laeg is de vloer’. Of is dat juist zinvol vanuit een bepaald erotisch uitzicht? Je treft váák totaal-zinloze regels bij dit soort liedjes. Misschien heeft het een soort mesmeriserend doel, brengt het iets magisch aan. Mensen lijken dat juist leuk te vinden. In mijn jeugd zong het Amsterdamse bioscooppubliek juist luidkeels mee in Tuschinski, wanneer daar in de pauze Pier Palla op een orgel volkswijsjes begon te spelen, met regels die klonken als ‘Hee-sapperdemosia!’ en ‘Hupsanseedeplatteboender / hupsanseedelabadoer!’.
In een van Klein-Jans andere liedjes komt een telkens terugkerende gekke regel voor, waarop uw spreker zeer verliefd raakte. Dat lied begint zo:
1. Sa vrinden ik heb ’er weer een nieuw Liet /
Al wat ’er in ’t kort weer is geschied /
Louwrensje / Cardoessie
Al van een Meysje die Lisabet hiet.
2. Dat Meysje ging ’s avonds veel op avontuur.
Al op de Kruysbaan / hoort wat ’er gebeurt /
Louwrensje / Cardoessie
Daer ontmoet haer een Zinjeur.***
Geen idee wat het betekent, dat ‘Louwrensje / Cardoessie’. Maar mooi is het. Toch?
Aan de historici onder de luisteraars. Een ideetje. Zou het niet leuk zijn om eens een boek te maken, over Klein Jan, over diens tientallen collega’s, en over de liedjes die Amsterdammers zongen in de afgelopen eeuwen? Het materiaal is er. In overvloed.
Stel dus maar eens uit: dat boekje over de VOC en Amsterdam; dat zoveelste artikel over de plafondschildering van Herengracht 302; dat hoofdstuk over de eerste opvoering van de Gijsbreght. Dát weten we allemaal wel.
* Meer over deze liedjesverkoper bij: Rietje van Vliet, ‘Klein Jan: de bard van de Botermarkt’. In: Mededelingen van de Stichting Jacob Campo Weyerman 30 (juli 2007), p. 26-35.
** Te vinden in: Thirsis Minnewit.
*** Uit: De boere-dans; of ’t gezelschap na de mode (1789), p. 56-57.