Feeds:
Berichten
Reacties

Reces twee weken

Beetje laat vandaag hè?

Klopt.

Vandaag geen blog, en de volgende twee weken ook niet.

In deze periode (en eigenlijk nog langer) wordt namelijk het woord ‘gips’ zeer vaak gebruikt hier in huis. Dat betekent onder meer dat Herkauwers huishoudelijke taken even belangrijker zijn.

Dus…

Weer een mooi proefschrift erbij, afgelopen woensdag: De ontdekking van de Nederlander in boeken en prenten rond 1800*. Eveline Koolhaas-Grosfeld is de schuldige. Zij is al ruimschoots bekend wegens haar andere – heel mooie en gedegen – publicaties over kunsthistorische onderwerpen in deze periode. Lees en bekijk haar Vader & zoons. Jacob de Vos Willemsz (1774-1844) en de getekende dagboekjes voor zijn kinderen!

De schrijfster bespreekt eerst de eigenschappen van de Nederlandse vaderlandse burger, binnen de sfeer van het (economisch) patriottisme. Die burger moest blijk geven van zijn nationale identiteit. Maar waaruit bestond die? Dat debat begon bij de patriottentijd en liep door tot ver in de negentiende. De kunsten, de literatuur werden ingezet om te ondersteunen wat feitelijk was: een debat over staats- en natievorming. Daarbij horen: beelden.

Als testcase om uit te zoeken wat er gaande was onderzoekt de schrijfster de uitgaven van Evert Maaskamp (1769-1834), Amsterdams prent- en boekuitgever; vooral zijn serie Afbeeldingen van kleeding, zeden en gewoonten in de Bataafse Republiek (1803-1807).

Hoe ziet die Nederlander er daar uit? Hij is eindeloos verschillend, in alle regio’s. Dát is de Nederlander: één maar divers.

Nu denkt u misschien: jamaar… wat is dit voor een soort constructie?

Dan moet u aan het lezen. Dit is een leuk boek. Om het waarom daarvan uit te leggen – het is meer gezegd – is een blog niet voldoende. Herkauwer is zó een paar pagina’s bezig.

Dit is het soort tekst dat vragen oproept, terreinen openlegt, discussies genereert. Aanbevolen!

Eveline Koolhaas-Grosfeld, De ontdekking van de Nederlander in boeken en prenten rond 1800. Zutphen, Walburg Pers, 2010. Bijdragen in de Geschiedenis van de Nederlandse Boekhandel, nieuwe reeks. ISBN 978.90.5730.648.8. 400 blzz.  € 39,95.

Soms kom je van die bladen tegen die hun kolommen vullen met huismiddeltjes, simpele verhaaltjes, en meer in die geest. Vroege vormen van de Readers Digest, zeg maar.

Zo’n blad is het Nuttig en vermaaklyk weekblad voor burgers en landlieden, dat 1794-1795 te Bergen op Zoom én Breda verscheen (ik hoor u al denken – maar Herkauwer zegt niets).

Wie weet wilt u  een paar zaken die met de gezondheid samenhangen uitproberen. Het kan geen kwaad. Veel ingredienten kunt u al in uw tuin vinden. Dus als u daar een beukenboom hebt staan:

Overheerlyk Tandpoeder. Verbrand het hout van Beuken boomen tot assche, zift die door een digt neteldoeks lapje, en het zal de beste Tandpoeder zyn die men kan uitdenken: maakende de Tanden yvoor wit en bewaaren dezelve voor alle verderf: deeze poeder kan men door middel van een fyn nat gemaakt borsteltje gebruiken.’

In deze ijzige tijden zou ook wel het volgende te pas kunnen komen:

Middel voor lopende oogen. Het zap van de jonge spruitjes der braambeziën, met roozewater en wit van een ey gemengt, is een heilzaam middel voor loopende oogen.’

En dan nog iets heel simpels, voor uw gezondheid in het algemeen. Handschoenen heeft u deze winter toch al bij de hand (domme opmerking, bedenkt Herkauwer zich, want de plant komt pas weer boven water als het lente is). Een wat langer advies:

Heilzaam gebruik der gemeene Brandnetelen. De gemeene steekende Brandnetel, in haar voorkoomen zo nutloos en zo hinderlyk als eenige andere plant, die men onder den naam van onkruid aanduid, is een der beste geneesmiddelen, die ons in het groeizaam ryk bekend zyn. By wyze van sterk afkookzel of aftrekzel, ter gifte van een pint, dagelyks toegediend wordende, versterkt zy het gansche gestel, en verhelpt de byzondere verslapping: dient men dezelve toe by wyze van sterk afkookzel of aftrekzel, zo levert zy een verwonderlyk vogt-verbeterend en openend middel uit; zy zuivert het bloed, en neemt de verstoppingen der vaten weg. Het uit deze plant geperste sap, met een lepel vol, naar mate noodig is, van tyd tot tyd ingenomen, is een vermoogend stelpend middel van de inwendige bloedvloeijingen. By wyze van fomentatie of cataplisma gelegd, verdryft zy de ontsteekingen, en doet de builen verdwynen: men kan zig van dezelve als van een heilwerkend middel bedienen in de pynen der keel, met ze uitwendig op den hals te leggen en tevens ’er mede te gorgelen.’

Heks ze, lezers.

Rotterdam oranje (1787)

Rotterdam is natuurlijk bekend, als centrum rond 1787 van zo wel patriottisme als orangisme (Kaat Mossel!).

Wat Herkauwer niet kende: de Oprechte Rotterdamsche schutters liederen, uit 1787. Daarvan verschenen liefst drie nummers, zodat het een heus (en onbekend) tijdschriftje is.

Maar in tegenstelling tot wat men zou vermoeden (schutters, vrijcorporisten, dat is immers allemaal republikeins gebroed?) zijn deze teksten allesbehalve patriots. Het is ‘te bekomen, by de Prinsgezinde Boekverkopers’. Het blaadje wordt gevuld met een soort persiflerende teksten. Ze dateren soms van vóór de inval door de Pruisen, soms van daarna. Dat levert wonderbare titels op als ‘Grafschrift op de hedendaagsche vryheid’. Die eindeloos bezongen ‘vrijheid’ is in stadhoudersgezinde  kringen natuurlijk een abject begrip geworden, dus leuk als je de schutters teksten tégen dat soort vrijheid hoort zingen. Althans op papier.

Eén citaat (p. 5):

‘Men agt de Lelys van bourbon,

Veel hooger dan de ryke gaven,

Van ’t protestantsche Albiön;

Daar men d’Americaansche Slaaven;

Beschermt (ten spyt Germanjes ryk,)

Dat is een Loevesteinse blyk.’

Je kunt hier een compleet politiek en cultureel programma uit afleiden. Geen erg talentvolle tekst, maar talent was weinig te vinden in deze kringen.

Help eens, lezers. Herkauwer zoekt een raar weekblad. Hij vond de volgende  advertentie in de Leydse courant van 23 juli 1773, luidend:

‘Jacobus van den Hoed, Boekverkooper op de Overtoomse Weg buiten Amsterdam, adverteerd, dat door hem eerstdaags ’s Weekelyks zal worden uitgegeeven: Een Vertoog van het tot Titel voerende Werkje, De Studeerkamer van Abraham van Zukkelen, verhandelende op een vroolyke Trant, al ’t geene er daagelyks in de Steden der Zeven Provincien zal voorvallen, of het geene door den vluggen Tydingbrenger onder correctie van de Heeren van Stommelen, van Stuiteren, van Knikkeren, van Stamperen en meer anderen, waardig [...] beoordeeld ons zal worden medegedeeld’.

Die boekverkoper Van den Hoed op de Overtoom heeft nauwelijks iets anders uitgegeven dan dit – als het blad al echt tot bestaan gekomen is. Herkauwer vindt voorlopig geen spoor van deze curieuze uitgave. Maar misschien is één van u allen het ergens tegengekomen, tussen Domburg en Delfzijl.

Werd Herkauwer ineens flink wakker tijdens de inaugurele rede van Mieke Aerts, afgelopen vrijdag in Amsterdam. Of wakker is niet het goede woord: het was een opgewekte rede die zijn aandacht gevangen hield (belooft veel voor deze bijzondere leerstoel-vanwege-de-Wilhelmina-Drucker-stichting).

Nee, juist wegens het levendige betoog dat er niet slechts de laatste decennia, maar altijd stennis is geweest in Nederland, en zeker vanaf de patriottentijd, herinnerde hij zich ineens dat hij eerder op die dag  (mede van wege de haast om overal op tijd te zijn) had vergeten een aantekening te maken.

Hij had namelijk die ochtend op de Oude Turfmarkt naar verschillende oude tijdschriftjes gekeken. Daarbij: De Vaderlandse courier uit 1785 (nog drie exemplaren resterend). Dat is een orangistisch blad. Op. p. 33-34 wordt daar, hij gelooft in een ingezonden bericht, een gewapend patriottenkorps beschreven, en de outfit daarvan.

Dat was een korps uitsluitend uit vrouwen bestaand.

Nu was dit tamelijk duidelijk een fictief korps; de beschrijving had vooral ten doel de ijver van vele vrouwen voor de patriotse zaak belachelijk te maken.

Maar ooit had iemand (wie?) Herkauwer gevraagd of er ooit echt dergelijke vrouwenkorpsen bestaan hadden. Aangezien een dom lezerstype op grond van die tekst best zou kunnen denken dat het hier echte gewapende meiden betrof (en dat zoiets in die tijd echt had kunnen bestaan, dat vindt Herkauwer helemaal niet zo twijfelachtig), had hij wat meer aantekeningen willen maken.

Vergeten!

Ook vergeten: terwille van zekere lezeressen op te schrijven wat deze soldateske dames precies droegen. Nu herinnert hij zich alleen: ze hadden blauwe kraagjes. En ze hadden bandeliers om. Enfin – genoemde lezeressen weten nu waar ze kunnen gaan kijken.

Overigens. De feestelijkheden na deze inaugurele hadden een grote mate van spontaneïteit, vrolijkheid, hartelijkheid. Het viel Herkauwer op bij deze menigte van vrouwen, dat die vervelende achterdocht met betrekking tot de rest van de wereld, van zeg een kwart eeuw geleden, niet meer bestond. Indertijd kon men in deze gremia geen mond open doen zonder zich onderworpen te voelen aan een dreigend onderzoek door de FBI (Feminist Bureau of Investigation).

Olipodrigo 31

* Voor de liefhebbers van historische kattenkunde (felinologie?) dient vermeld dat in Leiden in 1776 een ‘kat van de Mallegasjes’ (India, zeg maar) werd aangeboden. Aldus een advertentie in de Leydse courant van 2 december 1776. Het dier zal het wel koud gehad hebben.

* Het Nieuw Evangelisch Magazijn meent in 1780 (p. 55):

‘Het Dansen is eene uitspanning, niet min schadelijk aan het welzijn van den onstervelijken geest [...]; naardien het grootlijks strekt om deszelfs beminnaars van allen ernst en zedigheid te beroven.’

Kant in Nederland (1794)

Altijd leuk om plots Kant geciteerd te zien, in een onbekende tekst, op een tamelijk vroeg tijdstip.

In 1794 publiceert Jacob Hendrik Floh het eerste van zijn Vertrouwlyke gesprekken*, in de vorm van een samenspraak tussen een orthodoxe katechiseermeester, een overhaast-radicale schoolmeester, en een bedaarde predikant. Die laatste legt uit wat eigenlijk ware, wat valse verlichting is. Bij die ware verlichting hoort als psychologisch uitgangspunt: een soort langzaam en verantwoord te werk gaan. Anders wordt dat verlicht-zijn alleen maar contraproductief. Dan citeert hij Kant:

‘Wie de voetkluisters van Leerstellingen en Formulieren eensklaps afwierp, zou zelfs over de smalste gragt eenen onzekeren sprong doen; om dat hij aan eene dergelyke vrye beweeging niet gewoon is’.

* Vertrouwlyke gesprekken, betreffende de belangrykste onderwerpen van onzen tyd, verlichting, vryheid, gelykheid, enz. [motto:] Menschen duurzaam gelukkig te maaken, door menschen, als menschen past, te doen handelen en leeven, is het waaragtig doel der waare Volks-verlichting: deeze, de grondslag der waare Vryheid, en de bevorderaarster der waare Gelykheid! Eerste gesprek. Over de verlichting. Te Amsteldam, by M. Schalekamp. 1794.

Herkauwer stuitte vorige week op het volgende, niet onaardige gedicht. Het heeft wel wat van Focquenbroch, met die kortsluitingsregels. Als het zo is, hoort hij het wel.

Het staat in een bloemlezing van poëzie, De honig-bije, 176, deel II, p. 93.

Verscheide bezigheid.

Terwyl de Winkelier met valsche maaten meet;

Terwyl de Koopman denkt op ’t slyten van zyn waaren;

Terwyl de Boekwurm vent zyn netgedrukte blaêren;

Terwyl Vulkanus zoon het gloeyend yzer smeed;

Terwyl de Timmerman zyn’ meesten tyd besteed

Met bidden dat toch ’t werk niet schielyk voort mag vaaren;

Terwyl een Schoolpedant de kinderlyke schaaren

Met roede en plak regeerd; terwyl de Kruyer zweet;

Terwyl een Smous zoekt met schachten* te bedriegen;

Terwyl een Makelaar zyn glory steld in ’t liegen;

Terwyl een Pleyter ’t hoofd van schout en scheepens breekt;

Terwyl het woeld op straat van kleinen en van grooten;

Zit ik in eenzaamheid in myn vertrek gesloten,

En maak een Klinkdicht, daar nog geest nog kunst in steekt.

* sjaggeren? H.

Moe van die blaadjes (1797)

In 1796 en 1797 publiceerde dominee W. Bussingh wekelijks een kerkelijk gezang. Hij moest namelijk wel iets doen om aan de kost te komen: in 1795 was hij uit zijn post te Gouda ontzet omdat hij luidkeels oreerde tegen de revolutie.

Na vijftig weken op die manier bezig geweest te zijn, nam hij afscheid van zijn blad. Interessant is wat hij dan schrijft over het leeseffect van weekbladen in het algemeen, en over nog een ander soort probleem bij periodieken:

‘In den beginne worden dezelve doorgaends met graegte gelezen, maer die ijver verflaeuwd al rasch; vooräl valt de moeite, om die losse bladen bij elkander te bewaren, hoe gemaklijk ook, velen lastig, en men begeert liever een geschikt boekdeeltje, het welk ook doorgaends voor een minderen prijs kan geleverd worden.’

J.W. Bussingh, V.D.M., Gezangen voor de Gereformeerde kerk van Nederland. Deel II, Rotterdam, J. Hofhout, 1797, ‘Aen den Lezer’.

Oudere Berichten »