Voorgelezen zender AmsterdamFM 3 januari 2010
Een paar berichten. Uit een oude Nederlandse krant.
18 december 1799. Parijs. Er wordt gestemd over een nieuwe grondwet. Er is een grote opkomst, en groot enthousiasme. Dit, hoewel of omdat in de nieuwste Franse grondwet niets meer te vinden is van de verklaring over de rechten van de mens, en niets over persvrijheid. De krant meldt dat dat soort dingen niet meer hoeft, want iedereen weet dat dat soort rechten en dat soort vrijheden in de praktijk toch niets voorstellen.
25 december 1799 [tja, aan kerstmis, en oud en nieuw doen ze nog niet in die tijd]. Alweer Parijs. Generaal Bonaparte is door het ‘veelvuldig werken’ en ‘het gemis van den slaap’ nogal onpasselijk geweest, ‘doch bevind zich door zyn gewoon gebruik van Coffy beter’. Hij is van plan zich straks aan het hoofd van zijn troepen te stellen om de vrede in Europa te gaan afdwingen.
Diezelfde dag, 25 december 1799. In Den Haag worden maatregelen beraamd om de gevolgen te boven te komen van de invasie door Engelsen en Russen, in Noord-Holland. Er zijn enorme verwoestingen.
Boeiend, om allerlei redenen. Ik sla nu even een jaar of tien over. Ik kijk in diezelfde krant, maar nu: die van vandaag precies twee eeuwen geleden.
3 januari 1810. Koning Lodewijk verhoogt, met 10%, de belasting op dienstbodes, paarden, runderen, meubels, haardsteden, en erfenissen. Met 12% gaat omhoog: de belasting op vlees en wijn; en met 20% de belasting op jenever. De Turken winnen een slag tegen de Russen. De regering meldt: wanneer u een advertentie wilt opgeven bij geboorte of overlijden, mag dat alleen op bepaalde (dure) vellen waarop belastingzegels zitten. Boeken mag u niet meer adverteren, tenzij die uitgaven al eerder koninklijk zijn goedgekeurd.
Diezelfde 3 januari 1810. In het Oudezijds Herenlogement in Amsterdam wordt verkocht: een partij horloges, Franse pendule-ornamenten, theeserviezen, schilderijen en kunstprenten. In de Brakke Grond wordt verkocht ‘een party enkeld en dubbeld Blik, zo gezond als beschadigd’ [wat dat precies betekent, weet ik niet].
Nog diezelfde 3 januari 1810. Uitgever Hesse verkoopt: het Zakboekje tot gezellig tijdverdrijf voor 1810, maar ook Het tegenwoordige Amsterdam. Uitgever Du Mortier brengt een boek uit wegens het 200-jarig overlijden van Arminius, en uitgever Loosjes adverteert ‘een geheel oorspronkelijke Hollandse roman’, George van Waardestein [nooit van gehoord. Klinkt als iets waarvan althans Marita Mathijsen weer in extase zal raken].
Opmerkelijk: u vindt geen scheepvaartberichten in die krant van 3 januari 1810, terwijl die tachtig, vijftig, twintig jaar eerder een flink deel van de ruimte in beslag namen. Er varen in 1810 alleen wat flutscheepjes, ‘bomschepen’, via de Waddenzee naar Duitse havenplaatsen.
Het is, vergeleken met eerdere kranten uit 1730, 1780, eigenlijk een beetje een flutkrant, deze krant van 3 januari 1810. Logisch: het is de ‘echte’ Franse tijd waarin economie en cultuur zo’n beetje op hun gat liggen. Maar toch, en misschien juist daarom: wat een rijke bron voor de geschiedenis van dat jaar, ook voor de toestand in Amsterdam.
En het was niet eens een Amsterdamse krant die ik zag. Het was de Leydse courant. Dat was een soort NRC van toen, zeg maar. Een beetje conservatief, altijd geweest. ‘Hoe kwam u aan die krant?’ zult u misschien zeggen. ‘Zat u soms met een bontmuts op, in een archief, in een koude krantenkelder?’
Dat was absoluut niet het geval. Ik zat gewoon achter mijn computer en keek digitaal. Het regionaal archief Leiden heeft die krant op het net gezet. Nog niet helemaal vanaf het begin, in de zeventiende eeuw, maar dat geeft niets.
U weet waarschijnlijk wel iets van de geweldige ontwikkelingen. Steeds meer oude teksten worden door universitaire bibliotheken toevertrouwd aan het scherm. Dat scheelt enorm veel gezoek en gereis. Maar nu is er bovendien een nieuw project begonnen waarbij datzelfde gaat gebeuren met oude kranten, die in onze Republiek bestonden vanaf zeg rond 1650. Dat is een groot nieuw gebied dat open gaat. Dat soort kranten zijn behoorlijk zeldzaam en konden tot nu toe niet of heel moeilijk geraadpleegd worden.
Nu hoef je een krant van 1700, of 1750, echt niet te raadplegen om te weten te komen of we een stadhouder hadden, en of we weer es deelnamen aan de een of andere oorlog. Dat staat allang in de boekjes. Of anders hebben we nog altijd wel iemand als Jan Blokker die ons dat kan vertellen. Die kranten vertellen ons over heel andere dingen. Over weggelopen hondjes, over populaire geneesmiddelen, over nieuwe boeken – die u soms niet eens in de KB vindt.
Waar ik dus naar uitkijk, is bijvoorbeeld naar de digitaal raadpleegbare Opregte Haarlemse courant. Dat is, omvertaald naar nu, een soort Volkskrant of Telegraaf; met veel informatie over wat ze in breder kringen de moeite waard vonden. En wanneer zal de Amsterdamsche courant, uit de achttiende eeuw, op het net verschijnen? Die geeft vooral lokaal nieuws, maar juist dat heeft natuurlijk zijn voordelen. Persoonlijk ben ik vooral benieuwd naar de rare boekjes en onbekende malle tijdschriftjes die daarin beslist genoemd zullen worden. Ik hoop dat ze in dit geval niet lang met de digitalisering gaan wachten; en dat het met die krant dus niet zo zal gaan als met het Amsterdamse notarieel archief. Dat soort archief is in andere plaatsen allang geïnventariseerd en soms digitaal toegankelijk gemaakt. Dat van Amsterdam niet. En juist daarin kunt u al die leuke dingen vinden, de contracten, de ruzies, de testamenten, de onwettige kinderen, de huurovereenkomsten – al die dingen die u altijd zo graag wilt weten over uw voorgeslacht of over de belangrijke culturele figuren van toen. Een beetje schandalig is het wel – dat dat juist in Amsterdam nog steeds niet gebeurd is.
Tot besluit nu nog even iets heel anders. Iets aardigs. Denk ik.
Ik vond de volgende opmerking in de kort geleden uitgeven reisbeschrijving door Gerard Hinlopen, uit de jaren 1670-1671. Deze Hinlopen, uit Hoorn, voer als een soort luxepassagier mee op een Nederlands oorlogsschip, naar Smyrna (Izmir). Hij bezocht daarna Constantinopel. Hij noteert daar, nadat hij een middagje aan het shoppen was geweest, het volgende.
‘De Turken synder ook seer net op haar winckels, die by menichte aen de waterkand staen. Tussen de waren setten de selve gemenelyck potten met bloemen, rosen, groente [= gewoon ‘groen’], etc., en dat soo curieus, als in christenryck niet te vinden is, tensy men wilde seggen, dat d’Amsterdamse winckelmeysjes beter bloemen waren als hier de Turkse, daar men geen vroulieden by siet.’*
Kunt u het een beetje volgen? Deze Hinlopen zegt langs zijn neus weg dat de vrouwen die in Amsterdamse winkels helpen, fantastische bloemen zijn. Het is maar dat u het weet, luisteraars, of beter gezegd, luisteressen. Die schrijver komt uit Hoorn, van dicht bij de noordpool zogezegd, dus hij is een onverdachte bron.
Amsterdamse meiden zagen er blijkbaar ook al in het verleden niet uit als verwelkte kerstrozen. Da’s meegenomen in het nieuwe jaar. Houden zo!
* Joris Oddens, Een vorstelijk voorland. Gerard Hinlopen op reis naar Istanbul (1670-1671). Zutphen, Walburg Pers, 2009, p. 151.
De advertenties van de OHC zijn al eens gedeeltelijk op het net gezet (geweldige lectuur) en er is een mevrouw geweest die alle advertenties uit de AC met betrekking tot kleding heeft uitgegeven.