Gehoord in de Agnietenkapel, Amsterdam, 26 februari 2010, tijdens de promotie van Floor Meijer op ‘Wereldburgers. Vrijmetselaren en de stad Amsterdam 1848-1906’. Een opponent:
‘[...]
Geachte rector,
Wij bevinden ons in de oude aula van de Universiteit van Amsterdam; en op de plaats waar Amsterdamse latinisten van Europese faam, zoals Barlaeus, Burman I en II en zo nog wat anderen, hun triomfen vierden. Toen ik bij het voorbereiden van mijn oppositie wat gedachtenloos door uw uitnodigingspapieren bladerde, viel mij op dat zekere opponent (helaas: ondergetekende) betiteld werd als emiritus. Die kwalificatie zal mogelijk nog andere ge-ëmeriteerde collega’s ten deel gevallen zijn, of ten deel vallen. Nu denk ik niet dat de UvA een voorschot wilde nemen op de mogelijke ontwikkeling van de wereldgeschiedenis, en daarom van plan was mij en mijnsgelijken, te voorzien van een emir-ale titel die duidt op een hooggewaardeerde positie in streken als Helmand en Uruzgan. Ik heb dus besloten dat het slechts het onderwerp van dit proefschrift is geweest, en de daarin behandelde voorschotelijke maatschappelijke groepering, die ertoe geleid heeft mij te kleden in een gewaad, nog exotischer dan het huidige.
Maar nu, promovenda, wil ik graag terug naar uw proefschrift; en u een probleem voorleggen dat te maken heeft met een specifiek maçonniek probleem van nogal wereldbeschouwelijke aard. Ik zou haast zeggen dat het een vraag is naar het al dan niet verplichte dragen, maçonniek-ideologisch gezien, van een deïstische burka dan wel atheïstische niqaab.
Hoe zit dat? Op p. 31 bent u bezig met een korte beschrijving van de geschiedenis van de vrijmetselarij, en met de factoren die de latere ideologie daarvan hebben bepaald. U zegt dat in het belangrijkste oprichtingsdocument, de Constitutions van Anderson, domineerde ‘de verlicht-deistische geest’. Geen probleem mijnerzijds. Iets verderop gaat u mijns inziens echter een paar stappen te ver. U citeert daar de passage uit de Constitutions waar gezegd wordt dat een vrijmetselaar geen’domme atheist’ mag zijn of ‘ongodische vrygeest’; en u concludeert daaruit, in uw woorden: ‘Religieuze tolerantie stond hoog op de agenda, maar wel gold er een deïstische minimumeis’ binnen de orde.
Uw interpretatie is belangrijk want de gevolgen zijn als het ware onafzienbaar. Als in het basisdocument van de vrijmetselarij inderdaad de wereldbeschouwelijke minimumeis van deïsme gesteld wordt, zal geen vrijmetselaar van nu dat zo maar naast zich neer kunnen leggen.
Maar ik twijfel. Ik denk dat Anderson (of wie de auteur ook was, van die passage in de Constitutions) geen logische, of logisch-theologische discussie aan het voeren was. Hij was wél bezig aan een morele discussie.
Ik grond dat op het contemporain taalgebruik tussen 1700 en 1750. Wat bedoelen ze daar met atheïsme? Niet atheïsme in de ‘logische’ betekenis: die van God-loosheid (God met een hoofdletter). Wel betekent atheïsme: goddeloosheid, in de zin van immoraliteit, onverantwoordelijkheid, zelfzucht en hedonisme. Allemaal hoofdzonden tijdens de Verlichting. U kunt die betekenis terugvinden in bijvoorbeeld spectators. Maar ook bijvoorbeeld op honderden plaatsen in de notulen van de vergaderingen van classis of synode, waar mensen die het niet helemaal eens zijn met de orthodoxe leer van de kerk, onmiddellijk beticht worden van socinianisme en atheïsme, ook al zijn de betreffende mensen overduidelijk wel degelijk God-gelovigen, zeg voor het gemak maar: tenminste deïsten.
Een en ander heeft duidelijk te maken met de opvatting, dat degene die het niet helemaal eens is met de orthodoxe denkbeelden over God in de bijbel, blijkbaar ook niet in staat is vaste grond te vinden voor moraal, voor elk soort moraal. Zo iemand moet vervallen tot goddeloos gedrag op elk terrein. Buiten met hem!
Mijn uitleg spoort geheel met de tendens en de bewoordingen gebruikt in de Constitutions, waar geëist wordt dat de leden lieden zijn van goed gedrag. Lieden die geen blijk geven van domme atheisterij (aha. Een onverantwoord soort lieden dus) en die zich niet schuldig maken aan ‘ongodische vrijgeesterij’ – aan egocentrische zedelijke landloperij, zogezegd.
Het voorschrift in de Constitutions wordt zo geheel begrijpelijk. Een andere interpretatie lijkt mij vooralsnog: negentiende-eeuwse inlegkunde, uitgaand van een soort logische letterlijkheid die rond 1700 niet in zwang was.
Graag daarop uw antwoord.’