Vrouwen in 18e-eeuwse genootschappen. Daar hebben we langzamerhand het nodige over.
Over vrouwen in de loge veel minder. Hier en daar vindt men een artikeltje over de een of andere ‘adoptieloge’ in het midden van de achttiende eeuw, of soms in wat later tijd. Gaat men verder dan komen we gauw naar het einde van de negentiende eeuw.
Maar, naar aanleiding van het volgende hieronder opgenomen stuk (een willekeurig stuk uit een hele reeks), meent Herkauwer zich met vrij grote zekerheid te herinneren dat er een enorm pak handschriften, stukken en druksels te vinden is, in het archief van het Groot-Oosten der Nederlanden (Cultureel Maçonniek Centrum Prins Frederik), handelend over een ‘principiële’ adoptieloge in Den Haag, rond 1807. Volgens Herkauwer was dit het grootste ‘dossier’ aldaar te vinden. De kwestie was dus belangrijk.
Inderdaad vloog iedereen elkaar in de haren hierover, jarenlang.
Boeiend. Hier zit dus een fikse dissertatie in, meisjes. Nu even niet griezelen omdat dit weer es wat ander type onderzoek vergt dan het maken van de obligate studie over het vrouwen-koperensemble ‘Domela Nieuwenhuis’ (1932-1957), of, zoals dat de laatste jaren meer voorkomt, over de spiritualiteit van de Zusters Jacobinessen in Bladel-West (1880-1970).
Het lijkt Herkauwer dat je in dit geval veel meer mee kunt dan alleen het wie/wat/waar/hoe te turven. Wat is de mentaliteit van de betrokkenen? De culturele achtergrond? Zijn er verbanden met de pogingen in Felix Meritis de vrouwen een plaats te geven? Hoe zit het met de (verzonnen) vrouwen-ritualen, in een uitgave uit ongeveer deze tijd, de Eleusinische zusterschap? Enzovoorts.
Onderstaand stuk werd alle loges gestuurd. In dit geval aan ‘De Eendragt’.
‘In het O[osten] van Den Haag. Den 3den dag der 9de maand van het jaar des W[aren] L[ichts] 5807/
De Achtbare [Loge] L’Union Royale, aan de Z[eer] A[chtbare] [Loge] De Eendragt, in het O[osten] van Rotterdam
[Wijsheid, Kracht, Sterkte]
Zeer waarde B[roeders]
Het is genoegzaam bekend, dat, schoon het een algemeen gebruik is bij de Vrij-Metselaren, om geene Vrouwen bij hunne geheime Werkzaamheden toetelaten, vele Loges, nogtans, ten einde aan de schoonste helft van het Menschdom te bewijzen, dat onze Edele Broederschaar noch onverschilligheid, noch afkeer voor haar gevoelt, nu en dan bijëenkomsten houden, bestaande uit lieden der twee Sexen, waar aan de naam van Adoptie-Loges is gegeven; voornaamlijk heeft dit plaats in Frankryk, Engeland en Duitschland; terwijl ook hier te Lande, van tijd tot tijd, schoon niet onder dezelfde benaming, en mogelijk ook niet op dezelfde wijze, diergelijke Vrouwen-Loges zijn gehouden; zonder dat immer eenig Groot-Oosten vermeend heeft het regt te bezitten, om zich hier tegen te verzetten.
Wij dan ook, op het voetspoor van verscheidene Loges, hebben begrepen, ruim negen Maanden geleden, van dezelfde faculteit gebruik te kunnen maken, en, dien ten gevolge, Adoptie-Loges te mogen houden; het geen bij ons, sedert dat tijdstip, tot vier reizen toe is geschied.
Het is geen geheim meer, dat, tot schande van hen, die gevoelens koesteren, strijdig met hunne Maçonnieke pligten, onze Loge, de oudste dezer Landen, om verschillende redenen, benijders heeft, die steeds heimelijk werken, ten einde haar zoveel mogelijk te benadeelen.
Deze benijders nu, na ons over verschillende zaken te hebben aangevallen, durven ons thans beschuldigen eene neiuwigheid te hebben ingevoerd, terwijl de meenigvuldige Adoptie-Loges, bij buitenlandsche Oostens bestaande, getuigenis dragen van het tegendeel. Ook is het ons niet onbewust, dat zij, onder dar voorwendsel, bij onderscheidenen Broeder Vrij-Metselaren, met wien zij vriendschaps- of andere betrekkingen hebben, van hun invloed gebruik maken, om ons hier in tegen te werken. Ja, tot zoo ver is de zaak reeds gekomen, dat de H[oog] V[enerable] Gedep[uteerd] M[eester] N[ationaal] zich dezelve heeft aangetrokken, en wij op het punt staan, van onze regten, met die cordaatheid, welke waardige Vrij-Metselaren moet bezielen, openlijk te verdedigen en te handhaven, al moesten wij, niet alleen bij onze geliefde Hollandsche Zuster-Loges, maar zelfs, des noods, bij alle Loges, werkende onder het Vaderlijke Bestuur van buitenlandsche Groot-Oostens, appèl maken; alzoo wij, steeds onderdanig aan de Wet, nimmer voor willekeur zullen bukken.
Wij hebben begrepen ulieden van een en ander kennis te moeten geven, met broederlijk verzoek, dat gijlieden u blijvet wachten voor de geheime kuiperijen onzer benijders, en uw oordeel omtrent het werk der Adoptie-Loges gelievet opteschorten, tot dat wij in de noodzakelijkheid gebragt zullen zijn gworden, om dit punt, met kracht van argumenten en bewijzen, openlijk te verdedigen.
Wijders verzoeken wij u, daar, van tijd tot tijd, in sommige Loges alhier te lande, bijëenkomsten van Vrouwen hebben plaats gehad, ons, zoo spoedig mogelijk, bijaldien ook uwe Loge zich in dat geval bevindt, opgave te willen doen van de tijdstippen dezer bij u gehoudene Vrouwe-Loges, van de werkzaamheid en van de bijzonderheden daar bij voorgevallen. Wij maken te meerder staat op uwe vriend-broederlijke medewerking, daar wij, met ons eigen regt te handhaven, tevens ook het uwe verdedigen.
Tot nu toe zijn onze besluiten deswege met eenparigheid van stemmen genomen, hetgeen van des te meerder gewigt is, daar de ongelukkige tweespalt, welke voorheen tusschen de leden onzer Loge plaats had, heeft opgehouden, en de verbroedering (waar van wij u nader kennis zullen geven, wanneer ook alle de ten gevolge van dien te nemene schikkingen zullen zijn afgeloopen,) werkelijk is geschied.
Wij bevelen ons in uwe aanhoudende broedermin, en noemen ons, onder het bij ons bekend geheiligd getal,
Uwe heilwenschende Zuster [Loge] L’Union Royale;
En in derzelver naam,
P. de Chandon, S[oeverein] P[rince], G[rand] M[aitre].
J.E. Fijnjes Secr.’
Klinkt inderdaad als zeer interessant materiaal!