Een goede geschiedenis van het Kantianisme, de neologie, en andere verwante zaken in Nederland rond 1800 moet nog steeds geschreven worden. Men blijft nieuwe, verrassende zaken tegenkomen. Herkauwer was een beetje verbluft toen hij merkte dat de Kant-beweging zelfs in een almanak te traceren viel, reeds in 1801!
Het gaat hier om Ernst en boert voor de XIXe eeuw. Of Almanach van beschaafde kundigheeden, voor den jaare 1801, geschreven of geredigeerd door Arend Fokke Simonsz, en te Amsterdam uitgegeven.
Dit is een behoorlijk serieuze almanak; met onder meer een afdeling wijsbegeerte. Daarin vindt men p. 19, 21 al de naam Kant genoemd; en daarin stuit men plots op Kants afbeelding (illustratie door Wernet/Claassens), met een ‘Ode’ op die afbeelding. En wat volgt daarop in de afdeling ‘Dichtkunst’? Een zeer lang verhaal, ‘De schoone Kantiane’ (p. 1-32), met twee prentjes van Smies/Veelwaard). Dat verhaal krijgt u hier enkele dagen lang te lezen. Het is vermoedelijk uit het Duits vertaald, maar daar is Herkauwer niet zeker van. Het is in ieder geval belangrijk omdat hier tot op zekere hoogte de Wichtigmacherei van bepaalde soorten kantianen aan de kaak gesteld wordt terwijl tegelijk het kantianisme voorgesteld wordt als iets waarvan elk verstand heeft. Herkauwer vindt het ook aardig dat de hoofdpersoon van het verhaal een meisje is dat veel van Kant weet maar een toonbeeld blijft van gezond verstand. Er is, ook in de Nederlandse letteren, blijkbaar een traditie waarin ‘up-to-date’ jonge vrouwen iets hebben met Kant. Daarover heeft u elders al eens kunnen lezen.
Dat de inhoud van deze almanak beslist in de smaak gevallen is in Amsterdam, blijkt uit het feit dat deze almanak in 1802, 1803 en 1806 een vernieuwde inhoud kreeg, maar dat in 1805 en 1807 (in later jaren verscheen het boekje niet meer) de teksten uit 1801 opnieuw opgenomen zijn!
Maar nu die tekst.
DE SCHOONE KANTIANE.
[3] “Hebt ge den Drost van R. reeds geändwoord? Nicht!!” vroeg de Heer van W. die met zijne Nicht en eenige dienstboden, op een groot buitengoed in Gelderland, woonde.
“Neen, lieve Oom!” antwoorde Carolina.
“Hebt ge Doctor R. geändwoord?” vervolgde de Heer W. met een sterker stem, en voegde ’er het woord Nicht! niet bij.
Carolina andwoordde op denzelfden bedaarden toon als te vooren: “Neen! lieve Oom”.Daar op volgde eene wederzijdsche stilte. Beiden staarden werktuiglijk op een zonnenstraal, die door het vengster scheen, en een kwaaden luim, als een misdaad tegen de vriendelijke natuur en het aangenaame zomerweder, scheen te verbieden. Het was een zeer warme morgenstond, en het Landgoed, waar op de Heer W. met zijne Nicht woonde, lag op eene aanmerkelijke hoogte, en hadt daar door een der schoonste uitzichten, van alle de daaromstreeks liggende Buitengoederen. De oude Heer zat voor een [4] vengster, want hij was een groot liefhebber van de luchtigheid, zijn snuifdoos, die een buitengewoonen omtrek hadt, stond nevens hem in de vengsterbank, hij nam een snuifjen; keek eens op de pendule. Het was bij zevenen.
“Carolientjen!” zeide de Heer P. het eerst de stilte verbreekende, “toe, kom reis wat bij mij zitten; altijd loop je van me af; wat heb je toch nu weêr te draaijen door de kamer?”
Carolina kreeg een’ stoel. Een heldere straal viel, terwijl ze midden over de vloer ging, op heure tengere gestalte. Zelfs heur Oom, hoe knorrig hij ook in dit oogenblik op haar was, kon het welbehaagen niet verbergen, dat hij hadt, van haar zo stout, vrij en luchtig, door de kamer te zien zweeven, om aan zijn verzoek te gehoorzaamen. Zij plaatste heur’ stoel nevens den zijnen – heure oogen keeken wijd oopen en onbeschroomd, heur’ moeilijken Oom in ’t rimpelig aangezicht, en slegts een vrij zelfgevoel, maar geen zweem van trotschheid of eigenzinnigheid, sprak uit heur gelaat – hoe gaarne zou de Heer W. opgesprongen en haar van den stoel ontlast hebben. Maar zijn geemelijkheid, behieldt de overhand op zijne genegenheid. Hij hadt bijna de hand uitgestooken, doch herstelde zich weêr, door de herïnnering aan zijn waardigheid en gezag, en bleef zitten.
“Alle de dankbaarheid”, zeide Carolina, terwijl zij zig tegen over heure Oom, aan het vengster plaatste, “alle de dankbaarheid, die ik u schuldig ben, beste Oom, zal onveränderlijk in mijn hart blijven voortduuren, zelfs dan ook, wanneer ik, volgends uwe begeerte, niet langer gelukkig zijn zal. Ik herïnner mij zelve, elken morgen, wat ik u ver[5]schuldigd ben. Hadt gij mij, toen mijn Vader stierf, niet naar u genomen, dan zoude ik, met al de fraaije opvoeding, die hij mij heeft doen geeven, waarschijnlijk een gekkin geworden zijn; en wel door zijn ongelukken en wederwaardigheeden, een gekkin zonder geld. En wat is toch een arme gekkin; moet die zich niet laaten welgevallen, dat elk haar met vingers nàwijst. Hier op het land, heb ik mijn’ tijd, tusschen huisselijke bezigheeden en eene ernstige lecture verdeeld, en uw voorbeeld, lieve Oom! heeft wel het meest toegebragt, dat ik voor dat gevaar bewaard en een verstandig meisjen geworden ben.”
wordt vervolgd