Waarom weet ik niet, maar de afgelopen week werd ik eindeloos geplaagd door een kinderrijmpje dat in mijn geheugen opdook. U kent dat verschijnsel. U kent zelf die tekst. Ik heb zo het idee dat massa’s Nederlanders die al te horen kregen in de schoolbanken:
Amsterdam die grote stad
is gebouwd op palen.
Als die stad eens ommeviel
wie zou dat betalen?
Het is eigenlijk een leuk beeld dat hier gebruikt wordt. Als ik de tekst letterlijk neem zijn die ondergrondse palen hier als het ware bovengronds geworden – anders kan er niet omgevallen worden. Amsterdam staat of loopt als het ware een beetje op stelten, met het hoofd in de wolken. Echt iets wat Amsterdam toch al gauw doet. Misschien een stad als zo’n mangrovebos, uitgroeiend boven het moeras. Of: Een stad bestaand uit paalwoningen zoals je die kunt vinden op Sumatra of Nieuw-Guinea.
Waarom dringt zo’n tekst ineens ongevraagd het hoofd binnen? Geen idee. Misschien komt het door al die artikelen over de problemen op de Vijzelgracht, het verzakken, de palen; uweetwel. Of misschien kwam de tekst simpelweg bij mij op bezoek, nadat ik hoorde dat vanaf komende week dit programma in het Amsterdams Historisch Museum wordt uitgezonden. Ik heb de verbouwing van dat oude weeshuis tot museum nog meegemaakt. Ik herinner me, dat, bij mijn eerste bezoek, ze een soort paal hadden, met daarop in streepjes de ontwikkeling en bewonersaantallen van Amsterdam. Ik ga straks eens kijken of die paal er nog steeds is.
Maar van wie is dit palenrijmpje eigenlijk? Hoe oud is het? Ik kon er zo gauw niet achterkomen – maar iemand in het museum weet er vast alles van.
Dit rijmpje bracht me wél in herinnering een ander, en heel beroemd, gedicht waarin een enorme, onzichtbare, paal dwars door Amsterdam geslagen is. Het is niet zo handig om bij praatprogramma’s moeilijke gedichten voor te lezen – maar ik ga het toch doen. Het gedicht, ‘Op Amstelredam’, is van Vondel. Ik lees het eerst in zijn geheel voor, en dan kom ik nog even terug op die paal.
Het Y en d’Aemstel voên de hoofdstadt van Europe,
Gekroont tot Keizerin, des nabuurs steun en hope,
Amstelredam, die ’t hooft verheft aan ’s hemels as,
En schiet, op Plutoos borst, haer wortels door ’t moerasch.
Wat watren worden niet beschaduwt van haer zeilen?
Op welcke marckten gaat zy niet haar waren veilen?
Wat volcken zietse niet beschijnen van de maan,
Zy die zelf wetten stelt den ganschen Oceaan?
Zy breit haar vleugels uit, door aanwas veler zielen,
En sleept de weerelt in, met overlade kielen.
De welvaert stut haar Staat, zoo lang d’aanzienlijckheit
Des Raats gewetens dwanck zijn boozen wil ontzeit.
Mooi hè? Ik ben absoluut geen Vondel-liefhebber, maar hier hoort u de man op zijn best. Hij is echt trots op zijn stad, hoofdstad van Europa, en dus van de wereld.
Dat Amsterdam het echte centrum van de wereld is, zoals we in de provo-tijd nog vaak hoorden, blijkt uit de beelden die Vondel gebruikt om zijn Amsterdam te verankeren in die wereld. In dit moeras vanwaaruit Amsterdam vrije toegang heeft tot de rest van de wereld; vanwaaruit haar schepen als zwanen wegzeilen naar Amerika, Afrika, Azië [een beetje zoals de KLM-zwanen nu nóg doen]; en waar ook alles weer terugkom. In dat moeras ligt de stad verankerd omdat haar wortels groeien uit Pluto’s borst. Pluto is de god van de benedenwereld.
Maar de stad is ook naar boven verankerd. Amsterdam, zegt Vondel in die beginregels ‘verheft ’t hooft aan ’s hemels as’. En daarnaast zegt-i langs zijn neus weg: Amsterdam is gekroond tot keizerin.
Waar Vondel hier ongetwijfeld aan denkt, is de Westertoren, de hoogste kerk van Amsterdam; dan nog niet zo heel lang geleden gebouwd. Die toren is in Vondels tijd voorzien van een door de Duitse keizer toegekende keizerskroon. Die kroon kunt u gewoon vanaf de straat nog steeds zien. Als u goed kijkt ziet u daar ook de wereldbol waarover Amsterdam heerst.
Kortom, vanaf de as van het firmament, langs de kroon op de Westertoren, dwars doorheen Amsterdam naar beneden, naar de borst van Pluto, loopt een lijn. Een paal, zeg maar. Die lijn heeftvoor Vondel, in deze tekst, de functie van iets dat de Engelsen later uitvonden: de meridiaan van Greenwich. Door middel van zo’n meridiaan worden alle lengte- en breedtegraden van de wereld vastgesteld. Vondel wilde met zijn beeld zeggen: Amsterdam is het vaste punt, de meridiaan vanwaaruit de wereld bekeken en ingedeeld moet worden.
Zit de over Amsterdam lopende meridiaan, als vaste lijn, eenmaal vastgeprikt op de kaart van de wereld – dan blijkt de wereld letterlijk om Amsterdam te draaien.
Da’s niet niks allemaal. Het was in die tijd nog tamelijk waar ook! Vondels lezers begrepen héél goed wat hij bedoelde.
‘Als die stad eens ommeviel’… Ja, dan gaat ook de wereld verzakken. Het wordt echt crisis in de wereld, wanneer de huizen langs de NoordZuidlijn beginnen te zwieberen. Het is te verwachten dat dan ook de beurs in Nieuw-Amsterdam. dat tegenwoordig New York heet, geheel uit het lood raakt.
Beste Redactie,
Behalve dat ik niet kan bevatten dat het (kinder-) rijmpje “Amsterdam, die mooie stad, is gebouwd op palen” geen afzender heeft (Dat had in mijn Rotturdam nooit gekund ) komt in mijn hoofd slechts één woord op:
“Paalangst”