Boekenweek. Thema: het dier. Herkauwer denkt dat hij deze en gene plezier zal doen met opname, gedurende deze week, van een nogal lang stuk,getiteld ‘Korte natuurlijke historie van de tamme, gewone of huiskat, opgehelderd door verscheiden merkwaardige anekdoten.’ De auteur is anoniem.
Het stuk verscheen in de Volksalmanak voor het jaar 1816 (p. 86-118), die uitgegeven werd door Johannes Allart, te Den Haag. Deze almanak heeft vooral artikeltjes over nuttige weetjes. Bijvoorbeeld over de nogal recente slag bij Waterloo, over het inzouten van boter, over een nieuwe manier om witte wijn helder te maken, enzovoorts. Het zijn stukjes bedoeld voor de gewone man. Hoort een geschiedenis van de huiskat daarbij?
Wat u bij deze overname niet ziet: een bij de tekst horend plaatje, getekend door Smies, en gegraveerd door Zurcher. We kijken een huiskamer in. Vader, moeder, twee kinderen worden afgeleid van hun maaltijd. Zij kijken naar een kat op de vloer, die speelt (?) met een muis. In de deuropening: een spelende kat en hond. Tenslotte zien we plots nog een kat: hoog in een zijraam. Al die katten zien er niet levensecht uit. Het is wel meer opgemerkt, dat allerlei schilders en graveurs uitstekend de natuur wisten weer te geven, inclusief allerlei dieren – maar dat Felis er nóóit uitziet. Inderdaad, vreemd.
U vindt in dit stuk nogal wat waarnemingen die ons behoorlijk ‘primitief’ voorkomen; maar die blijkbaar in deze periode nieuw zijn. Zij tonen een nieuw type belangstelling. Een aantal ‘anekdoten’, indien nu verschijnend, zouden we eerder verwachten in een bepaald soort damesblaadjes. Eén verhaaltje daarentegen ligt meer in de lijn van Edgar Allan Poe. Voor het overige moet u zelf maar uitmaken waar deze tekst, als geheel, in het cultuurhistorisch spectrum thuishoort.
Wonderlijk, dat er geen geschiedenis bestaat van de kat in de Nederlandse literatuur. Zo af en toe zijn er tekstjes te vinden waaruit blijkt dat Felis toch wel belangstelling genoot in de lange achttiende eeuw. Het heeft geen zin van alles op te noemen.
*
‘[86] Ons gewone huisdier, de kat, wordt nooit zo tam als de hond. Zij laat zich daarom ongaaren opsluiten; zij loopt niet alleen in huis, maar ook buiten hetzelve, in eenen zekeren kring rond. Zij gewent zich wel aan den mensch en zoekt zich bij hem bemind te maken; maar hij kan haar niet recht vertrouwen: want vaak, als hij het beste met haar meent, krabt zij hem. Terwijl de hond niet ligt zijnen heer verlaat, maar hem overal en in iedere woning navolgt, laat, integendeel, de kat hem overal stilletjes loopen, en blijft in het huis, waar zij eenmaal gewoon is.
Gezigt en gehoor zijn bij de katten zeer fijn; maar derzelver reuk is niet sterk. Volgens de opmerkingen van den vermaarden GALL staan de uitnemendheid en sterkte van eenen zin met de sterkte van deszelfs zenuwen, in eene evenredige betrekking; hoe sterker deze zijn, des te voortreffelijker is de eerstgenoemde. [87] De hond heeft sterke reuk-, maar zwakke gezigtszenuwen. Zijn reuk is daarom veel beter dan zijn gezigt. Omgekeerd vindt dit ook bij de katten plaats. Daar de kat, in haren wilden staat, in het donker op buit loopt, en de natuur haar deze bestemming heeft aangewezen, ziet zij ook des nachts beter dan bij dag, vermits hare oogen, door al te veel licht, verblind worden.
De kat bezit een buitengewoon taai leven. Al wordt zij van den hoogsten toren nedergeworpen, zij zal zelden dood blijven, maar springt of oogenblikkelijk, of een kleine poos daarna, weder op. Zij ligt wel eenen tijd lang als dood; maar het duurt niet lang, of zij loopt weer heen.
Hoe wild de kat ook van nature zijn moge, evenwel schijnt de opvoeding veel in haar karakter te veranderen. List en slimheid zijn bij haar, hoe veel gehechtheid aan de menschen zij ook bewijze, steeds blijkbaar.
In zeker monnikenklooster was eene kat, die zich een zeer gelukkig leven wist te verschaffen. Haar vette pens deed der keuken eer aan, ofschoon men haar nimmer in dezelve zag. Op zekeren dag had de kok het middageten voor de monniken gereed gemaakt, en werd gewaar, dat hij eene portie mistte; hij geloofde derhalve, dat hij zich misrekend had, en spoedde zich, om het noodige aantal vol te maken. De dag daarop cindt hij weder eene portie te weinig. Ditmaal verwondert [88] hem zijn abuis meer; derhalve neemt hij voor, om bij het vervolg, beter acht te geven. Hij zet daarom, den anderen dag, zijne schotels met de grootste opmerkzaamheid gered, telt ze nu, telt ze nog eenmaal, tot dat hij zeker is, dat er geen een ontbreekt. Op dit oogenblik wordt er aan de poort gescheld; hij loopt heen, om dezelve open te maken; maar ziet niemand, keert terug, en verwenscht de schel, zoo wel als hem, die aan dezelve getrokken heeft. Bestendig met zijne in gereedheid gebragte geregten bezig, ziet hij dezelve nu op nieuw over, en het getal derzelve is een verminderd! Wat moet hij van zulk eene plotselinge verdwijning denken? Er was niemand dan hij in de keuken. Den volgenden dag gaat het eveneens. Wie zou er toch aan de schel getrokken, en wie zou de portien weggenomen hebben? – Kortom, hij besluit, om de zaak eens af te loeren. Op het gewone uur hoort hij schellen; maar, in plaats van nu naar de poort te loopen, verbergt hij zich in eenen hoek, en ziet de kat van het klooster door het venster naar binnen klimmen, met eene bewonderenswaardige vlugheid op de eettafel springen, eene portie weghalen en dadelijk langs denzelfden weg weder terug keeren. Den dief had men ontdekt, maar nu kwam het er nog op aan, ook hem, die aan de schel trok, te betrappen. Men verschool zich achter een nabij zijnde venster, en zag de kat met de pooten de schel trekken, en oogenblikkelijk naar het keukenvenster toe loopen. Een zoo vermakelijk bedrijf werd [89] zeer spoedig aan al de monniken bekend, en door hen beschouwd. Zij hadden er veel vermaak in, en, ten einde eene zoo goede gelegenheid, om nieuwsgierigen te lokken, niet te verzuimen, werd er eenparig besloten, dat men, in het vervolg, bij het gewone aantal van portien nog eene zou voegen. De kat zettede haar kunststuk verder voort, en werd, van dien tijd af, als een medebroeder beschouwd.
Ik heb zelf eenen zeer makken gesneden kater, die gewoon is, des nachts, aan het voeteinde van mijns zoons bed, boven op de dekens, te slapen. Daar mijns zoons legerstede op eene bovenkamer is, alwaar ik tevens mijn studeervertrek heb, en ik des morgens vroeg op ben, komt de kat, zoo dra zij mij hoort, het bed uit, streelt mij, en maauwt zoo lang, tot dat ik met haar naar beneden ga, en haar wat melk in haar bakje geef. Daar, in de keuken, staat gewoonlijk een pot met melk, die des avonds gekookt is en des nachts niet gedekt wordt, opdat er des te meer room op kome. Des ochtends dek ik dan gewoonlijk dien pot, en wel gewoonlijk op het tijdstip, wanneer ik MIETJE hare melk ga geven. Nu had ik een paar ochtenden, in gepeins verzonken dien pot vergeten te dekken, en poesje had van die gelegenheid gebruik gemaakt, om er het hart eens braaf aan room en melk op te halen. Ik, dit bemerkende, dekte den pot weer toe, terwijl ik met de kat weer naar beneden ging, om haar melk te geven. Maar, wat gebeurt er den volgenden [90] morgen? Mijn poesje, gemerkt hebbende, dat ik, juist als zij mij riep, haar wel melk gaf, maar tevens den pot dekte, komt stil ten bedde uit, sluipt, zonder streelen of maauwen, de kamer af en vergast zich op de room en melk in den pot, zonder op mijne gift te wachten. Daarop kwam zij van beneden mij vragen even als of zij eerst ten bedde uit steeg. Zoo dra ik dezen diefstal bespeurde, dekte ik den pot toe, telkens als ik des morgens opstond, en, de kat zulks merkende, gaat thans alles weer zijnen gewonen gang. Poesje staat op, maauwt, streelt mij en krijgt het gewone rantsoen melk.
In het Dagblad van Parijs van 1781 werd het volgende merkwaardige voorbeeld van het taaije leven der katten verhaald. In den nacht tusschen den 17 en 18 Februarij stierf te Parijs DOMINIQUE FRANCOIS DE CHAUTEAU BLANC, een beroemd Ingenieur. Den 18, des morgens te 4 ure, werden, door den Commissaris FORMEL, de goederen des overledenen verzegeld. Bij deze gelegenheid kroop er, zonder dat men zulks merkte, eene kat, die nog geen jaar oud was, in eene kleederkast, en werd daarin opgesloten. Reeds op denzelfden dag hoorde men haar geschreeuw in huis en in de nabuurschap. Maar de kosten en de omslag, met de ontzegeling verbonden, dewijl die niet buiten tegenwoordigheid van zekere personen geschiden konde, maakten, dat men het arme dier vergat. Den 18 Maart, en dus op den 29sten [91] dag der gevangenschap, werden eindelijk de zegels afgenomen, en, toen men de kast opende, vond men de kat wel zeer vermagerd, maar evenwel nog levend. Toen zij iets gegeten en gedronken had, woonde zij, als huisdier, de overige verrigtingen der Commissarissen getrouwelijk bij, even als of er niets met haar gebeurd was.