Feeds:
Berichten
Reacties

Archive for april, 2010

Uit het Nieuw algemeen magazyn, van wetenschap, konst en smaak dl. II (1794) p, 821:

‘Bayle kreeg stuiptrekkingen, wanneer hy het geluid hoorde dat het water maakt, als het door een kraan loopt.’

Advertenties

Read Full Post »

Gisteren verschenen, na de verdediging van haar proefschrift:

Annemieke Kouwenberg, ‘De kennis der Duitsche taal is voor een geleerden hedendaags onontbeerlijk.’ Duitse natuurwetenschappen en pedagogiek in Nederlandse genootschappen rond 1800. Amsterdam/Utrecht, APA-Holland University Press, 2010. 270 blzz. ISBN 978 90 302 1272 0. E 40.

Hieronder de samenvatting van de inhoud, door de schrijfster zelf.

Stelt u zich voor: u bent wetenschapper in de periode rond 1800. U bent, vanzelfsprekend, goed op de hoogte van de internationale ontwikkelingen in uw vakgebied. Vooral uw Duitse collega’s doen belangrijk werk. U wilt uw enthousiasme delen met Nederlandse wetenschappers en daarnaast een breder publiek op de hoogte stellen van de ontwikkelingen die de wetenschap doormaakt. Wat doet u? Publiceert u een artikel in een tijdschrift? Houdt u een lezing voor een van de vele genootschappen die Nederland rijk was?

Deze overweging was voor veel wetenschappers uit de periode rond 1800 een heel gewone. In hun streven nieuwe kennis onder een breed publiek te verspreiden, kozen ze steeds voor dat medium dat het beste aansloot bij hun doelstellingen. Heel kort gezegd is dat de belangrijkste conclusie die uit mijn onderzoek naar voren komt. Voor het beeld van de rol die de genootschappen speelden in de instroom van Duitse ideeën heeft die conclusie belangrijke gevolgen.

Dat er grote belangstelling voor Duitsland en Duitse ideeën bestond was duidelijk. In onder andere vertalingen en tijdschriften leek elk interessant nieuwtje, elke belangwekkende wetenschappelijke ontwikkeling en elk interessant boek uit Duitsland afkomstig. Hoe er in genootschappen werd omgegaan met de Duitse instroom was minder bekend. De genootschappen namen een belangrijke plaats in het wetenschappelijke en culturele leven van de late achttiende eeuw in en golden bovendien als sociale verzamelplaatsen. Het is niet vergezocht te veronderstellen dat de belangstelling voor Duitse ideeën ook daar zijn weerslag moet hebben gehad.

Drie genootschappen vormden de basis van mijn onderzoek. De Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen was een respectabel wetenschappelijk genootschap dat zichzelf beschouwde als de Nederlandse academie van wetenschappen. Felix Meritis in Amsterdam, u hebt het gebouw misschien wel eens zien staan aan de Keizersgracht, was een algemeen-cultureel genootschap dat haar leden recruteerde uit de gegoede Amsterdamse burgerij. Het genootschap speelde een belangrijke rol in het Amsterdamse culturele leven. De Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen legde zich toe op de verbetering van de samenleving. Een van hun belangrijkste initiatieven was de aanpak van het lager onderwijs. Anders dan de Hollandsche Maatschappij en Felix Meritis was het Nut weinig elitair van aard. Het was bovendien niet op één plaats gevestigd, maar het had lokale afdelingen door heel Nederland.

Bij het onderzoeken van de genootschapsarchieven viel één aspect in het bijzonder op aan de bijeenkomsten en activiteiten die de genootschappen organiseerden. Anders dan ik had verwacht, werd de inhoud van de lezingen en prijsvragen vooral door leden bepaald. Van een algemeen inhoudelijk beleid is weinig te zien. Dat betekent dat ook voor de instroom van Duitse ideeën gekeken moet worden naar individuele leden en niet, of minder, naar het genootschap als geheel. Als de genootschapsleden bepaalden welke onderwerpen ter sprake kwamen, dan bepaalden zij immers ook welke aspecten van Duitse onderwerpen in de genootschappen aan de orde werden gesteld. Door een aantal van die genootschapsleden en de onderwerpen waar zij zich mee bezighielden nader te bekijken, kon ik meer inzicht krijgen in de uitwisseling en ook in de rol die de genootschappen daarin speelden.

Met dat uitgangspunt onderzocht ik de Nederlandse belangstelling voor de Duitse sterrenkunde, scheikunde, pedagogiek en frenologie. Dat laatste is de theorie die beschrijft hoe de vorm van de schedel samenhangt met iemands karakter. Een buitengewoon populair onderwerp, zo rond 1800. Tegenwoordig resteert er weinig van, behalve dan de spreekwoordelijke wiskunde- en talenknobbel.

De belangstelling voor de Duitse ontwikkelingen op de genoemde vakgebieden bleek steeds dezelfde basis te hebben. Het grootste deel van de instroom is te verklaren door te kijken naar persoonlijke contacten tussen Nederlandse en Duitse wetenschappers en door de praktische toepassingen die voor de Duitse ideeën gevonden werden.

De Duitse sterrenkunde had slechts op één punt een voorsprong op de ontwikkelingen die elders in Europa plaatsvonden. In het kielzog van Franz Xaver von Zach richtte een aantal Duitse sterrenkundigen zich op de toepassingen van de sterrenkunde voor nauwkeurige plaatsbepalingen en cartografie. Dat juist deze praktische astronomie in Nederland bekend werd, was te danken  aan Pieter Nieuwland en Jan Frederik van Beeck Calkoen, die in respectievelijk 1792 en 1797 een bezoek brachten aan Von Zach en door hem werden geschoold in de praktische astronomie. Na afloop presenteerden ze de verworven kennis in lezingen en artikelen.

De Duitse scheikunde trok de aandacht van Nederlandse scheikundigen, uitgerekend vanwege de praktische component. Van grootse theoretische vernieuwing was in Duitsland geen sprake, daarvoor moeten we in deze periode naar Frankrijk kijken, maar de Duitsers hadden in de loop van de achttiende eeuw geïnvesteerd in degelijk scheikunde-onderwijs, wat niet alleen de beoefening van het vak had verbeterd, maar ook bijzonder positieve effecten had gehad op de Duitse industrie en economie. De Nederlandse scheikundige Petrus Kasteleijn was door zijn contacten met Duitse scheikundigen goed op de hoogte van de ontwikkelingen in Duitsland. Hij stelde dat de Nederlandse economie alleen maar te redden was door het Duitse systeem ook in Nederland in te voeren. Er was geen reden tot aarzeling, want de Duitsers waren op wetenschappelijk gebied buitengewoon betrouwbaar:

‘Met de Weetenschappen is het hedendaags niet minder gesteld. – Zij [de Duitsers, AK] hebben daar in, zeedert eenige jaaren, sterke vorderingen gemaakt; des zij, in deezen, het hoofd met luister verheffen, en naauwlijk voor eenige Natie behoeven onder te doen. – Hier van strekken ten getuige, de uitmuntende Schriften, zeedert eenige jaaren, in alle takken der Weetenschappen. […]. – De kennis der Duitsche taal is, derhalven, voor een Geleerden, hedendaags onontbeerlijk, uit hoofde van de menigvuldige daar in voorkomende Werken.’

Waar het de pedagogiek betrof, namen de Duitsers een vooraanstaande positie in. De filantropijnen, een groep van Duitse onderwijsvernieuwers, hield het niet bij theoretische verhandelingen alleen, maar richtte ook scholen op waar de nieuwe ideeën in de praktijk werden gebracht. In Nederland maakte het Nut eveneens plannen voor onderwijshervormingen. Van de theorie van de filantropijnen had het genootschap zich al eerder op de hoogte gesteld. De belangstelling voor de Duitse onderwijsvernieuwing ging vooral uit naar de praktische successen die de filantropijnen hadden geboekt. Het Nutslid Adriaan Loosjes stelde zelfs voor iemand naar zo’n Duitse school te sturen. Die kon dan met eigen ogen zien of het de moeite waard de Duitse ideeën in Nederland te gebruiken. Op grond van verslagen van andere bezoekers had hij goede hoop:

[…] volgens ’t geen gemelde Ith in zijn Rapport ’er van zegt, ook volgens ’t getuigenis van Herbart, Ewald, Gruner en andere Duitsche Geleerden, schijnt Pestalozzi’s leerwijze de eenigst geschikte, althans van alle tot nog toe bekende, de beste […] te zijn, om in Volks-Schoolen in zwang gebragt, of eigenlijk tot het Volksönderwijs gebezigd te worden.

De frenologie tenslotte, is een vreemde eend in de bijt. Om te beginnen stond het wetenschappelijke karakter van de theorie al rond 1800 ter discussie. Maar terwijl bij de overige onderwerpen Nederlanders bewust naar Duitsland gingen om nieuwe kennis te vergaren, kwam Joseph Gall, de bedenker van de frenologie, naar Nederland om zijn theorie toe te lichten. In 1806 bezocht hij Amsterdam. Het tijdschrift De Ster creëerde een heuse hype rond zijn komst. De persoonlijke kennismaking met Gall bleek echter weinig succesvol. Gall bleek een vervelende en arrogante kerel, die het Amsterdamse publiek zodanig had beledigd dat van zijn plannen voor een serie lezingen weinig overbleef.

Wat zegt dit alles nu over de rol van de genootschappen in de Duitse instroom? Behalve op het gebied van de pedagogiek, waar het Nut als genootschap belangstelling toonde voor de Duitse ontwikkelingen, waren de meeste genootschappen slechts zijdelings betrokken bij de verspreiding van Duitse ideeën. Voor mensen als Van Beeck Calkoen en Kasteleijn vormden de genootschappen een van de vele manieren om de nieuwe inzichten die ze in of via Duitsland hadden opgedaan aan een breed publiek te presenteren. Kasteleijns aanpak is wat dat betreft het duidelijkst. Hij koos zijn publiek strategisch, afhankelijk van het doel dat hij wilde bereiken. Wanneer hij nieuwe scheikundige inzichten wilde bespreken, koos hij voor een artikel in zijn eigen vaktijdschrift, dat uitsluitend gericht was op vakgenoten. Wanneer hij een publiek van geïnteresseerde leken op het oog had, publiceerde hij een artikel in de Algemeene Konst- en Letterbode. Zaken die een echt breed en algemeen publiek aangingen (zoals het economische belang van de verbetering van het scheikunde-onderwijs), besprak hij in een genootschap.

Kortom, de genootschappen moesten hun plek in de verlichte uitwisseling van kennis en ideeën delen met andere media. Die situatie hadden de genootschappen zelf in de hand gewerkt door leden de verantwoordelijkheid te geven voor de inhoud van bijeenkomsten en activiteiten. Door die keuze zetten ze zichzelf buiten spel en diskwalificeerden ze zich als belangrijke deelnemers aan de verlichte wetenschappelijke cultuur.

Read Full Post »

Héél patriots, maar behoorlijk goed onderlegd, is de auteur van het Zakboek van Neerlands volk, voor patriotten, antipatriotten, aristokraten en prinsgezinden; door Demofilus, uit 1785. De catalogi schrijven de tekst toe aan Rütz.

Op zeker moment is die auteur bezig met uit te leggen waarom de gesloten kaste-systemen van de Nederlandse ‘aristokratie’ zo gruwelijk verwerpelijk zijn.

In een noot geeft hij een anecdote over de mentaliteit van die aristokraten-regenten (p. 31):

‘Men verhaald hier omtrend een zeker grappig voorval, het welk, indien het waar is, aantoond, hoe verzekerd onze Regenten zich hielden van de Familie-successie; “zeker Regent eener voornaamse stemmende Stad in Holland, kreeg de onverwagte tyding van de bevalling van zyn Vrouw, op een plaats, daar hy in gezelschap was[;] de Tydingbrenger riep, Myn Heer, myn Heer! Mevrouw is verlost, wel vroeg Zyn Ed. Agtb. wat is het, een Regent, of een Meisje?”’

Read Full Post »

Kaart (1788)

Voordracht zender Amsterdam-FM 25 april 2010

Het wordt misschien een beetje lastig voor u vandaag, want ik wil even met u praten over een kaart. Dat wil zeggen: een soort landkaart. En tja, zo’n kaart moet je eigenlijk voor je neus hebben liggen. Dat maakt de conversatie een stuk makkelijker. Maar het is wel te doen denk ik.

Het is een kaart uit 1788. Hij verscheen als een soort bijlage, bij het in dat jaar te Amsterdam verschijnende weekblad De Post van den Helicon, geschreven door de heel Amsterdamse auteur Jan Kinker.* Inderdaad, de man van de Kinkerstraat. Kinker schrijft in dat blad over nieuw in ons land verschenen boeken. Meestal zbetreft dat wat we nu ‘literatuur’ noemen. U begrijpt nu waarschijnlijk waarom dat blad, De Post van den Helicon, zo heette: Post spreekt voor zichzelf, en die Helicon, misschien weet u dat nog, is die klassieke berg in Griekenland waarop Apollo op een camping zat samen met zijn negen muzen; terwijl hij blijkbaar toch nog tijd kon overhouden voor zijn baantje als beschermgod van de kunsten en letteren.

Dat je op een beetje journalistieke manier een nieuwsblad kunt maken over nieuwe boeken is iets heel nieuws in die tijd, en nog nooit vertoond. Zo’n boekennieuwsbode is wat ons land betreft een beetje een Amsterdamse uitvinding. Vóór die tijd had je alleen heel geleerde bladen, die alleen maar uittreksels van de inhoud van boeken gaven. Commentaar, analyse was er niet bij. Bovendien, de daarin behandelde boeken waren echt Zeer Geleerde en Zeer Belangrijke Boeken. Over wetenschap, over klassieke literatuur. Die bladen hadden het nooit over zeg maar Heleen van Rooyen, of Arnon Grunberg, of over de wonderbare retoriek van Prem Lawaai.

Die kaart uit 1788 dus, die bij dit nieuwe soort blad hoort. In het midden zien we een gigantische berg: de Helicon. Rechtsboven: de Noordzee. De zee vlak bij huis dus; niet die mediterrane zee die eigenlijk bij de Helicon hoort. Het is een beetje gekke Noordzee, met allerlei rare eilanden daarin; zoals het Zwanenburger eiland. Om die Helicon heen: tientallen rivieren, wegen, plaatsen. Dat is natuurlijk normaal op een kaart. Alleen – alles heeft hier nogal vreemde namen. Zo zie ik links een Translateurstuin, een Rymelaarshoek, een Hexenwoud, een Meteoria Vallei. Rechts een Oratoriekasteel, een Treurige Dwarsstraat, een Jordaan Rivier. Hoe langer je kijkt, hoe meer vreemde namen. Die komen helemaal niet voor in Friesland of op Schouwen-Duiveland.

Waar gáát dit allemaal over?

Een beetje houvast krijgen we door het ‘legendum’ zoals dat heet bij kaartmakers: een soort bij- of opschrift waardoor u weet waar u bent, op welk deel van de aarde. Hier leest u: ‘Nieuwe kaart van den Hollandschen Helicon, naar de Jongste Ontdekkingen’. Tjonge. Het is dus een echte ontdekkingsreizigerskaart, van witte plekken, terra incognita. In dit geval is het onbekende gebied: het land van de Nederlandse schrijverij.

Ik word tevreden als ik sommige namen ineens kan verbinden met stromingen en genres waarvan ik iets weet. Zuidelijk van die Helicon zie ik bijvoorbeeld een door bomen omzoomde kaarsrechte weg, de ‘Sentimenteele weg’. Er komt een ‘Brievenlaan’ op uit. Er staat een groot gebouw naast: het ‘Groot Postcomptoir’. En aan het einde van die Sentimenteele weg staat weer een ander groot gebouw, het ‘Dolhuis’, het gekkenhuis dus. Dit hele complex tenminste kan ik nog wel oplossen. In deze regio of wijk worden blijkbaar de briefromans van toen gelokaliseerd, geschreven in een sentimentele stijl, zoals de Julia van Feith (1783). Die sentimentelen van toen werden vaak bekeken als onverantwoordelijke lieden, die zich alleen maar door hun hartstochten lieten leiden, en die daarom soms zelfmoordneigingen hadden (denk maar aan de Werther van Goethe). Dat soort schrijvers hoorde dus in een dolhuis thuis.

Plotseling denk ik: die kaart lijkt toch wel erg Amsterdams. Want ik zie allerlei bekende namen opduiken. Bijvoorbeeld: de Heiligeweg; de Kalfjenslaan; de Irreguliersgracht. Hoe moet daar literatuur mee verbonden worden? Wie weet produceerden ze op die Heiligeweg wel gristelijke poëzie. En wat schreven ze op of aan die Kalfjenslaan, bij het Kalfje dus (een leuk uitgaanscentrum van toen)? Zou dat uitgaansliteratuur zijn? Drinkliedjes? Porno?

Eenmaal zover, zie ik plotseling nog veel méér Amsterdamse zaken genoemd. Ik zie: de ‘Dolle botermarkt’. Dat is het Rembrandtplein van nu. Ik denk na. Rond 1788 was dat de plaats van de kermis; en het plein waar in die periode toneeltenten werden opgericht waar Amsterdammers gingen kijken naar vrolijke, Jiskefet-achtige toneelstukken. Naar toneel dus, dat met hun eigen werkelijkheid te maken had. Op de Dolle Botermarkt geen bijbelse drama’s van Vondel!

Ik zie meteen daarna, er vlakbij op die kaart, de ‘Duyvelshoek’ opduiken. Dat is de aggenebbisjbuurt rond de Botermarkt, waar rond 1780 de beroepsschrijvers woonden. Ze schreven romans, hekeldichten, politieke opruiende geschriften. Nooit: klassieke heldendichten.

Zo krijg ik langzaam steeds meer Amsterdams houvast. Dat Swaanenburger eiland in de Noordzee – dat is ook iets Amsterdams. Het heeft alleen niets met de Zwanenburgwal vandoen. Wél met: Willem van Swaanenburg. Deze Amsterdamse auteur uit de eerste heft van de achttiende eeuw was bij iedereen bekend omdat hij niet schreef volgens klassieke maatstaven. Hij maakte zijn eigen metaforen en was voor zijn tijdgenoten doorgaans absoluut niet te begrijpen. Een soort Lucebert, zeg maar. Geen wonder dat er daarom op de kaart klippen ingetekend staan rond dat eiland. Je lijdt schipbreuk bij het lezen van die man. Geen wonder dat de eiland-hoofdstad blijk te heten: ‘Nonsens’.

Nou, da’s allemaal leuk, zo’n puzzelkaart met zoveel Amsterdamse raadsels.

Maar nog veel leuker of veel belangrijker is, is dat op deze kaart voor het eerst erkend wordt dat er zoiets bestaat als een eigen, moderne, westeuropese, Nederlandse, Amsterdamse literatuur. Met genres en producten waaraan vandaag de dag ako- en exlibrisprijzen toegekend worden. Het wonder is dat dat allemaal op deze kaart voorkomt. Want het is zó, dat tot ongeveer het begin van de negentiende eeuw als ‘literatuur’ alleen dàt erkend werd, wat geschreven was volgens de normen van de klassieken uit de Oudheid, of van de bijbel. Alles moest ‘ware geschiedenis’ zijn, en: nuttig. Het nieuwe verschijnsel ‘roman’ bijvoorbeeld, vonden de critici iets vies en voos. Het was hallucinatoire fictie die alleen maar afleidde van eeuwige waarheden. Om diezelfde redenen vinden sommige protestanten bijvoorbeeld een verhaal over Harry Potter nog steeds angstaanjagend; iets dat hun jongedochters niet mogen lezen.

Nou – gaat u nu zelf maar es een avondje puzzelen, als u die kaart gevonden hebt; en zoeken wat er bedoeld mag zijn met ‘de Tempel der Machine’; het ‘Yslyk Achterom’, de ‘Oostersche laan’, en het ‘Xantippe pad’. Misschien leidt dat laatste wel tot een onderzoek naar achttiende-eeuwse periodieken die lijken op Opzij.

Maar ik vind het al mooi als u onthoudt dat Kinker de gewone literatuur van Amsterdam op de kaart heeft gezet, in 1788. Voor het eerst.

* De complete tekst van dat blad is tegenwoordig op internet te vinden, op de site van het DBNL. Daar hebben ze helaas die kaart niet opgenomen. U kunt hem bijvoorbeeld wél vinden in: De verlichte muze. Bloemlezing uit de poëzie van J. Kinker (red. G.J. Vis), 1982.

Read Full Post »

In 1785 werd in Dordrecht een gewapend vrijkorps opgericht. De Dortse meisjes waren dol enthousiast en marcheerden in de geest mee. Hun speech bij de aftrap van dit vrijkorps:*

‘Vrijheids Zoonen!

Zoudt Gy, die door geene Eigenbaat gedreven, maar uit de Edelste – de Roemwaardigste beginselen voor Vrijheid, Stad en Vaderland, de Wapenen vrywillig torst; – Gy, die ter bescherming van Uwe en onze Haartsteden en Altaaren – ter Bewaaring der geheiligste Panden, Uwen IJver, – Uwen onvermoeiden ijver onophoudelyk aanwend, in ’t beoeffenen van den zoo noodzaakelijken Wapenhandel; – Gy, die door het Edelste vuur ontgloeit, het koutste hart doet blaaken; zoudt Gy, Uwe mede Zusteren, wier Zielen voor de Vryheid branden, in eenen zorgeloozen slaap zien rusten?…. Neen!…. dit zy verre!

Wy zwakke kunne, aan wie ’t handelen van ’t krygsgeweer niet eigen is; – Wy, door de Natuur met geene mannen kragten begaafd; – Wy echter, kunnen, wy willen, Uwe Heilzaame Poogingen onderschraagen.

Niets beter hebben wy daar toe kunnen uitdenken, dan dit Vaandel, deeze Trommen en Pypkoker te doen vervaardigen.’

Enzovoorts. Mooi hoor.

Deze snikkende retorische stijl bracht Herkauwer in herinnering de geweldige parodie op dit soort redevoeringen, in de Janus van 1787. Daar kan de liefhebber een speech vinden van de Urkse gezagsdragers, bij het uitrukken van het korps Urkse patriotse vrijwilligers (twee in getal!) om te helpen de stad Utrecht te beschermen tegen de orangistische snoodaards. In deze rede heeft ons Dichtbijistan in een mum van tijd alle zaken in Afghanistan geregeld dankzij de overbekende Bataafse leeuwenmoed.

Overigens werd de hier geciteerde speech uitgesproken door de heer J. van Meteren. Blijkbaar was het toch niet de bedoeling dat vrouwen echt hun stem verhieven in, wat tegenwoordig heet, de publieke ruimte. Misschien verdraagt het geluid van piccolo’s zich niet zo met het dreunen der trommen. Enfin, het begin was er.

  • Te vinden in het zeer onbekende blad: Mengelwerk van het Dordrechts gedenkboek 1785, nr. 1, p. 45.

Read Full Post »

leuke woorden

Je hebt van die woorden die je zelden gebruikt of leest. Toch zijn ze niet verouderd. De krachtige betekenis dringt pas na decennia tot je door: omdat pas dan de oorspronkelijke samenstellende elementen ‘gezien’ worden.

Ze blijken dan ineens van een verrassende schoonheid te zijn.

Naargeestig

goedmoedig

barmhartig

vrijmoedig

vrijpostig

goedgelovig

wanschapen

(In dit rijtje lijken te meeste samengesteld uit een adjectief en een menselijke kwaliteit.)

Er zijn trouwens ook veel leuke woorden die met be- beginnen en die, als je erover nadenkt, verrassend succesrijke Nederlandse woorden zijn:

bedompt

bejaard

bedaagd

bezopen

belazerd

behept.

Read Full Post »

(uit de Vrolyke Kourantier 1729)

‘Een minnaares [is] gelyk als een boek, indien je er al te styf op staroogt, dat bedwelmt uw, of zuylt uw in den huuwelyksslaap, want meenig Jongman die een maitres bejaagt, vangt een huysvrouw, en staat geduurende zyn leeven als een verlooren schilwacht op den post van naberouw, tot dat hy wort afgelost door den korporaal de dood, die hem of ontheft van het pak des leevens, of van den last des huuwelyks.’ (p. 200)

(Uit de Doorzigtige Heremyt 1728-29)

‘Die zilversmid had een schoon wyf tot zyn huysvrouw, en geen leelyke bagyn tot een wyfs suster, een koppel dieren wel zo moeilyk om gade te slaan als een paar verliefde maartsche huyskatten, te meer dewyl hy onder zyn huysdak een Brussels Doktoortje had aanvaart, een mannetie zo kleyn als een steenrot, zo gebocghelt als Krates den hondsfilosoof, en noch wel zo dom als een Tongersche gans, maar aan den anderen kant zo verlieft als een kastilliaan, waar door den zilversmid werks genoeg had om een oog in ’t zeyl te houden op die twee bovengemelde smeltkroezen.’ (p. 134)

‘Na dat dien schynheylig dan de innerlyke genade vier breedtens diep had gezet onder den wyn, en het innerlyk licht begon te spartelen in zyn oogen, gelyk als glimmende turfkoolen spartelen in een welgeschuurde bedpan, en als de dampen van het druyvenvocht den uytwendigen mensch hadden bezet, en het vleesch overgegeeven aan den Satan om met vuysten te worden geslagen, dan stuurde hy het roer van zyne zondige begeertens na Klaras passagiesloep’. (p. 140)

Read Full Post »

Older Posts »