Feeds:
Berichten
Reacties

Stilte

Na het overlijden van André Hanou op 8 februari 2011 is deze weblog beëindigd.

Geveld

Bekentenis: de laatste posts zijn weliswaar van Herkauwer zelf, maar niet meer door hem op het web geplaatst.

Het is flink raak, laat hij zijn lezers weten, Herkauwer is nu echt geveld.

Hij had nog willen schrijven over peutenpraatjes. Over burn out & urn out. Over de contrareformatische castratenclerus. Over dwergwerpen en vrouwsjouwen in politicis. En over meer van dat soort onderwerpen. Het komt er niet meer van.

Ter Balkt 1678

Nog één keer Ter Balkt; wegens diens originele gedichten waarin zoveel Nederlandse geschiedenis te vinden is. Daarna houden we hem voor gezien. Geen commentaar verder van Herkauwers kant.

De vrede van Nijmegen (1678)

Ronde krullen, als krassen van schaatsers,
In dat korenjaar, jaar van blijde veldgerst
Onder de tarnkap des hemels, verwoesting
Over, en de pennen schaatsen blijdschap

Op het droog perkament. Nu drijven haastig
Wolken voorbij, zijn marketentsters pakt
Het leger, dreiging zingt haar zwanenzang.
Niet langer kronkelt de galg, jammert jubel.

Maar de vrede is een slede, zij rijdt uit
bij vorst, of roest als de ar wanneer as
Het ijs veroudert. Oorlog smeult in de staat

van paraatheid. Vrede, milde sneeuw, valt
niet in hitte, op ’t goddelijk graan jaagt
de molen. Vrede groet de sterrenwacht.

Uit: Laaglandse hymnen.

Olipodrigo 37

Eau de cologne. – Kan het niet laten nog eens uit Ter Balkt te citeren. Uit diens gedicht ‘Eerbetoon aan de lamsoor- en aspergesoep’, in diens Tegen de bijlen (1998):

De zwaveldamp omlaag naar de plavuizen, mes
En vork hemeltergend heilig, de tafels rusten
Als een dodenwacht, lampen schijnen kouder
Aan een zeemansgraf. (herinner je de vinding

Door Johann Maria Farina, van ’t kruidenwater
Eau de Cologne in 1700!) De lachende mond
legt ’t af tegen de linnen stap, de slapstick
Van omzwachtelde hondsheid. O dat de aprilwind […]

Verderop is ook nog sprake van ‘de Klopstockwinter’. Benieuwd wat er uit dit gedicht allemaal te halen is met een forse close reading.

*

Luiken. – Nou, nog één citaatje dan? Ter Balkt eindigt zijn gedicht ‘Ode aan een hooikeerder’, eveneens uit Tegen de bijlen, met de strofe:

Treur niet om een hooikeerder, hooi
Van altijd nieuw hooiland. Huisraad
Werd de Lier van Luyken, maar niet
Elke stilstand is eeuwigheid.

Hier zijn een massa verwijzingen, thema’s, teksten in terug te vinden. Leuk werk als u even genoeg hebt van uw gewone kryptogrammen. Helpt u ook bij het goed lezen van literaturgesschienis.nl en vergelijkbare overzichten.

In 1786 verschijnt iets eigenaardigs: Brieven van eenige jooden over den tegenwoordigen toestand van den Christelijken godsdienst en het Christendom. Verzameld en in ’t licht gegeven door C.V.S. (Haarlem, Cornelis van der Aa. Deze adverteert voor deze uitgave reeds in de Leydse courant op 30 november en 21 december 1785).

Het betreft hier vooral twee (fictieve) joodse briefschrijvers, Joseph de L. en Israel de C. De Letteroefeningen van 1786 (die nogal verontwaardigd waren over deze uitgave) karakteriseren de eerste schrijver als ‘een gemoedlyken Jood, die tot de Christelyken godsdienst overhelt’ en de tweede als iemand ‘die voor ’t uiterlyke een Jood is, maar allen Godsdienst voor enkel loert [=?] en bedrog houdt’ (p. 90-92).

Het klinkt een beetje als wat vanzelfsprekend; onbetrouwbare lieden, die theologiserende Joden. Maar misschien mogen we in polemisch opzicht de protestants-orthodoxe auteur tenminste iets gunnen. Over die recensie in de Letteroefeningen, en over andere teksten naar aanleiding van die Brieven van eenige jooden verder hier geen informatie, anders is het eind zoek.

Waar het op neerkomt, inhoudelijk, is dat in deze Brieven een moderner theologie (neologie) scherp veroordeeld wordt, door juist deze – pragmatische en in religieus opzicht uiteraard verdachte – joden, de buitenlandse zogenaamde hervormers van het christendom te laten veroordelen: Priestley, Steinbart, Voltaire, Rousseau. Priestley bijvoorbeeld deugt natuurlijk niet. Die zegt ‘dat de afgoderij der Christenkerk begonnen is met de vergoding en eigen eredienst van Jesus Christus […] Nog ééne daling en hij [Jezus] is eene Godslasteraar en Bedrieger’ (p. 8).

Hoort u dat alles eens uit de mond van Joden, zogezegd. Dat alles heeft uit het oogpunt van apologetica misschien een zekere verdedigbaarheid, ook in literair opzicht. Maar die grens van de apologetiek overschrijdt de auteur op vele plaatsen anonieme maar herkenbare Nederlandse tegenstanders beschuldigt van immoreel gedrag, zelfzucht, oneerlijkheid omdat dezen niet vasthouden aan de ware orthodoxie.

Wat citaten.

‘Daar zijn onder anderen te R…. twee zulke beruchte Helden, Mannen van naam, die zo tegen hun eigen sijsthema aan werken door zulk een handel, dat ik twijfel of ze niet waarlik na de eer dingen, om met Bahrdt en zijne metgezellen, de hervormer onzer eeuw te heten’ (p. 33).

‘En wie in ons land omhelsen deeze Nieuw Hervorming plans? Meestal […] vinden zij ingang bij lieden van de grote wereld, in wier paleizen onder de menigte van zaken geen kleine rust of schuilplaats voor de nauwgezetten Godsvrucht overblyvt, maar niet bij ingetogen vrienden van deugd en waarheid. Mij is van goede hand verzekert, dat een zeker Predikant, die voor een jaar of twee de publieke kerk verliet en zijn dienst afstondt, thands te R…… zo brillant en naar de smaak der galante mode leevt, in disch en huis depenses, divertissmenten en al wat hoort tot het geen de wereld welteleven heet, dat men duidelijk merken kan, hoe deze man, die het duitsch sisthema volkomen heeft omhelst, en zelve Steinbart blindelings […] naschryvt […] tot zulk een stap gekomen is, om dat hij mogelijk op het land of in een afgelegen steedje zijn rijkdommen zo niet ten toon spreiden, en met mantel en bef beladen niet zo coquet en prodigaal leven kan, noch plaatsen van vermaak bijwonen, als hij wel gaarne wenschte. ’t Verveelt den man zijn zeden naar den Godsdienst te schikken, en daarom schikt hij zijnen Godsdienst naar de smaak van rijke lieden, en zo stel ik vast, zijn van de honderd, wel negentig en meer’ (p. 294-295).

‘Niet lang geleden zei mij iemand, die zijn Godsdienst wel verstaat en niet minder wel beleevt, vrij geesei: deeze Renegaat is zeer beleevd omtrend onze beleidenis want hij zorgt dat zijn levenstrant ruim zoo veel eer aan onzen Godsdienst doet, als zijn pen dien poogt te smaden’ (p. 295).

Het lijkt niet zo moeilijk in deze regenaat de later steeds beroemder Paulus van Hemert te herkennen. Deze had op dat moment een functie bij de remonstranten te Rotterdam. De idee van de ‘rijke’ remonstranten wordt hier uitgespeeld tegenover de ‘arme’ orthodoxe kerk, en de oprechtheid van de eenvoudige gelovigen. In ieder geval is het volgens de schrijver, van Hemert te doen om materialisme, pronkzucht, ijdelheid. Eerlijkheid is er bij Van Hemert niet bij.

En dat is, polemisch gezien, onder de gordel.

De Brieven van eenige jooden worden in de traditie toegeschreven aan Daniel Albert Reguleth (1749-1794). Hij studeerde theologie te Utrecht, en werd daarop in 1770 predikant. Een orthodox keffertje over wie zo op het oog niet veel geschreven lijkt te zijn. Maar dat kunt u, lezer, in de toekomst mogelijk verhelpen.

Ter Balkt, Bataven, SP (2)

Opmerkingen. – Ter Balkt maakt hier ongetwijfeld gebruik van de culturele vragen en aarzelingen waarmee Tacitus (56-117) bevangen was, in diens De origine et situ Germanorum, waarvan het eerste gedeelte zich bemoeit met ‘onze’, of dichtstbij wonende Germanen. Tacitus’ werk in her algemeen handelt vooral over de regeringswijze van de eerste keizers, en laat zien hoe corruptie de deugden van de burgers van de oude Republiek heeft aangetast. De historici strijden of dit alles wel zo juist is.

Maar in dit gedicht hebben we in ieder geval te maken met de door Tacitus gsuggererde problematiek: eenvoud tegenover cultuur. De dichter verplaatst dit slagveld naar de Lage Landen. Daar dwaalt Tacitus, doorgaans bewonderaar van de Urbs, de oorspronkelijke Romeinse beschaving: maar dan die zonder mode, lippenstift, catwalks en dansfeesten (noemt Ter Balkt hem daarom mede een melkdrinker, een kribbebijter dus ook, die wel oog heeft voor de triomfbogen maar niet voor feestjes; een soort genmatige conservatief en cultureel vegetariër; die het nooit in zijn hoofd zou halen te kijken naar DWDD, al was het alleen wegens maar wegens een zeker populisme, en het soort leiderschap van iemand die het scherm afspat wegens de transpiratie die behoort bij een nachtelijke, in een FEBO-lokaal doorwaakt doorgebrachte tropische mediterrane nacht?)

Hoe dan ook – hoe doen die verdomde Germanen dat, of hoe hebben ze dat gedaan? Dat systematisch bewaren van zedelijkheid, moraliteit, ‘republikeinsheid’?

Sjokt die vermiezerende Tacitus over het Noordzeestrand, cultureel antropoloog avant la lettre. Alles is daar bot en knullig, beschavingstechnisch (lomp, grove). Je kunt in dit weer niet goed mer inkt schrijven of een gedachte noteren (streept de regen zijn handschrift door). Misschien hoort het begrip boek’ wel alleen bij een echte beschaving, als die van Rome; wie schrijft die blijft! Hier, in Frisia, kun je niet eens een intelligent gesprek voeren in een badhuis (ze stinken eeuwig, die Germanen/Nederlanders. Misschien heeft Tacitus al een visioen van DWDD).

Maar ja, ‘Hun spijzen zijn eenvoudig: / wilde vruchten, vers wildbraad’, denkt hij. En ‘Goede zeden hebben hier meer kracht / dan elders goede wetten’. Hijzelf denkt nu wat leugenachtig, want in zijn werk over de Romeinse beschaving gaat hij zelf tekeer ove al die Messalina’s en Paay-achtigen, ‘de straathoeken van Rome, de geverfde glimlach van de hoofdstad, aan de kracht van zilver en marmer’ alles: verwijzingen naar prostitutie, corruptie; zoals ook uitvoerig beschreven door zijn Romeinse geestverwant Iuvenalis, die, sprekend over geverfde tepels en zo nog wat in diens zevende satire, beschrijft hoe het oude Rome ten onder gaat aan ‘de’ vrouw. Romeinen hadden op het land moeten blijven en geen Vrbs moeten bouwen.

Dat is een ander verhaal.

Maar wel een verhaal dat Ter Balkt mede in het achterhoofd had. Wat hij namelijk beslistr ook in zijn hoofd had, is de Batavierenmythe; al was het slechts omdat Ter Balkt een verwoed Nijmegenaar is; hij ongeveer heel onze geschiedenis kent en gebruikt, en omdat onze nationale Batavierenmythe in wezen rond Nijmegen cirkelt. Kort: eeuwenlang is de idee geweest dat die eenvoudige Batavieren van ons, zo eenvoudig gebleven waren (zij konden bijvoorbeed hun eigenaanvoerders en godsdienst kiezen; bleven dicht bij de natuur enzovoorts) terwijl zij toch alles wisten, tegelijk, van de verworvenheden van de (Romeinse) beschaving. Maar: deze Bataven werden nooit onderworpen. Zij werden slechts bondgenoten. In vvrijheid en eenvoud. Deze idee gebruikt bijvoorbeeld Weyerman in zijn Koffiehuisnichtje waarin hij de eigen Hollands/Amsterdamse beschaving verdedigt tegen de binnendringende Franse (Romeins-Gallische) pseudobeschaving.

Kortom, Ter Balkt laat Tacitus langs de wadden zwerven. Maar zijn Friezen – en dus Bataven, en dus… – representeren het eeuwige dilemma: klei en eenvoud, tegenover stad en corruptie. Hetzelfde dilemma waarmee zoveel Verlichters in de achttiende eeuw zaten met (met wie TB, denkt H, blijkens zijn werk heel goed bekend was). Een basisprobleem waarmee Condorcet, Washington, Danton, Marat en een massa anderen kampten. Zoinder dat zij daarbij uitgingen van een door enige dommerdjes heden te dage verondersteld etiket ‘judeo-christelijke beschaving’ in denken. Denkt u bijvoorbeeld maar eens aan het gezanik rond La Honta, die enorme last kreeg van allerlei soorten christelijken toen hij rond 1700 bescheeef hoe zijn Huronen / Irokezen vreemd opkeken van het geïntroduceerde begrip ‘erfzonde’.

Enfin, u weet hoe aan het eind van de eeuw onze eigen Bataafsche republiek ermee heeft geworsteld natuur en cultuur te verenigen. Zoek voor een recent plastsisch voorbeeld van die worsteling, de straks bij Vantilt in een mooie handelseditie verschijnende Levens en werken van Paape, door Peter Altena. Zit u er midden in.
Onze maatschappij worstelt er heden nog steeds mee, met dit basisprobeem. Soms wordt het dilemma simpel voorgesteld, door lieden als Emile Roeper van de SP (hij lijkt door een Paroolcolumnist daarom niet onterecht soms ‘het knuffelbeerke’ genoemd, want onze Ossenaar lijkt soms echt terug te verlangen naar de noble sauvage), en door… en door… Het vreemde is dat onze huidige politici zelden of nooit in staat schijnen besproken basisdilemma (basiskeuzes) van onze maatschappij eerst te formuleren in termen van plichen en rechten. Enkele columnisten springen er daarentegn gunstig uit, zoals Bas Heijne).

Tja, Frisia non cantat?

PS. Toch vond Herkauwer dat die Friezen er bij TB wat lullig afkwamen, toen hij die Friezen liet rondspetteren in kano’s. Zouden die flutdingen echt genoemd worden bij Tacitus? Herkauwer heeft geen tijd en zin dat uit te zoeken. Of zit er een dichtkundig-verkapte tegenstelling in, met het beschaafde Rome?

Ter Balkt, Bataven, SP (1)

 

H. ter Balkt publiceerde ooit in zijn bundel Hemellichten (1983) een heel vreemd gedich. Dat heeft te maken met het hele mensdom maar tegelijk met ‘onze’ eigen natie. Leest u maar (hopelijk mag dat, zo’n overname; Herkauwer weet eigenlijk niet wat de precieze regels zijn bij ‘moderne’ teksten). Daarna wat losse opmerkingen zijnerzijds. Niet wetenschappelijk verantwoord, hoor.

 

Tacitus op ’t Noordzeestrand

 

Tacitus voelt zich lomp op dat strand

Grove sporen slepen de zee in;

Ver van Livius’ Geschiedenis van de Republiek

Streept de regen zijn handschrift door

Als de kano’s van de Friezen de golven

Rook uit vuurtjes van koemest, schapenmest,

Nergens een badhuis

De hemel is een pastei,

Op de bodem stompzinnige roeiers

 

‘Hun spijzen zijn eenvoudig:

wilde vruchten, vers wildbraad’

Maan zengt als een oog van brons,

Geen nachtegaal boven de klei…

‘Goede zeden hebben hier meer kracht

dan elders goede wetten’

schrijft Tacitus leugenachtig neer,

denkend aan de straathoeken van Rome,

de geverfde glimlach van de hoofdstad,

aan de kracht van zilver en marmer

De spotzieke regen

baadt in zijn regels

 

Het is niet zeker of hij daar wàs

Tacitus in zijn roeiboot,

Tacitus in de lemen hoeven, geklonken

Aan de vlucht van zeevogels, ’t karrespoor

Als een vlieg in barnsteen gevangen!

Bitter schrijft de melkdrinker

‘Zij hebben geen steden’ terwijl zijn tong

de gloed proeft van de triomfboog,

van de dubbelzinnige oogopslag,

van de intriges en de citroenen

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.